ECLI:NL:RBMNE:2017:2809

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 juni 2017
Publicatiedatum
12 juni 2017
Zaaknummer
432066 / HA RK 17-27
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 40 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek en verschoningsverzoek in civiele procedure

In deze wrakingszaak heeft verzoekster een verzoek ingediend tot wraking van de rechter die haar civiele zaak behandelde. Na een eerste tussenbeslissing en een tweede mondelinge behandeling heeft de rechter aangegeven zich te willen verschonen indien het wrakingsverzoek niet wordt gehonoreerd, omdat hij zich niet meer vrij voelt de zaak te behandelen.

De wrakingskamer heeft overwogen dat de rechterlijke partijdigheid kan worden vermoed vanwege de beschreven woordenwisseling tussen de rechter en de advocaat van verzoekster. Dit leidt tot een gegrond verzoek tot verschoning van de rechter. Omdat de rechter zich wenst te verschonen, heeft verzoekster geen belang meer bij het wrakingsverzoek, dat daarom niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De procedure wordt voortgezet zonder de betrokken rechter, waarbij de zaak wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot verschoning van de rechter wordt gegrond verklaard, waarna de procedure wordt voortgezet zonder deze rechter.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 432066 / HA RK 17-27
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 juni 2017
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. O.P. van der Linden te Utrecht,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de tussenbeslissing van de wrakingskamer van 24 februari 2017
  • de tweede mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 23 mei 2017.
1.2.
In de tussenbeslissing is overwogen dat de wrakingskamer behoefte heeft aan een nadere toelichting van mr. De Laat (hierna: de rechter) over hetgeen is voorgevallen tijdens de comparitie waar verzoekster de rechter heeft gewraakt. Om die reden heeft de wrakingskamer bepaald dat een nieuwe mondelinge behandeling moest worden bepaald. Het wrakingsverzoek is daarom op 23 mei 2017 opnieuw in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Verschenen zijn verzoekster, mr. Van der Linden, de rechter en mr. Ringenaldus, de gemachtigde van de gedaagde partij in de hoofdzaak.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Verschoningsverzoek
2.1.
De rechter heeft tijdens de tweede mondelinge behandeling verklaard dat hij, voor het geval de wrakingskamer het wrakingsverzoek niet honoreert, zich wenst te verschonen van de behandeling van de hoofdzaak van verzoekster. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij zich niet meer vrij voelt deze zaak te behandelen, en dat hij bij zijn standpunt blijft dat mr. Van der Linden hem ten onrechte heeft gewraakt. Om die reden wenst de rechter mr. Van der Linden niet meer te spreken, en wil hij de zaak niet af maken. Verzoekster heeft zich hiertegen niet verweerd.
2.2.
De wrakingskamer bespreekt eerst het verzoek tot verschoning.
2.3.
Artikel 40 Rv Pro bepaalt dat een rechter die een zaak behandelt, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden. Van dergelijke feiten en omstandigheden is sprake indien de rechter vooringenomenheid koestert jegens een partij dan wel indien de vrees dat daar sprake van is objectief gerechtvaardigd is.
2.4.
De rechter heeft noch in zijn schriftelijk verweer noch tijdens het vervolg van de mondelinge behandeling de juistheid van de door verzoekster in haar verzoekschrift gegeven beschrijving van de woordenwisseling tussen de rechter en mr. Van der Linden na het indienen van het verzoek tot wraking bestreden. In zijn reactie van 6 februari 2017 heeft de rechter geschreven dat hetgeen hij gezegd heeft na het indienen van het verzoek tot wraking voor hem reden kan zijn de zaak niet meer verder te behandelen. Tijdens de (tweede) mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij zich niet meer vrij voelt de zaak van verzoekster te behandelen, omdat mr. Van der Linden ten onrechte een wrakingsverzoek heeft ingediend en vanwege de gang van zaken tijdens de comparitie van 31 januari 2017.
2.5.
In de in de vorige alinea genoemde feiten en omstandigheden ligt een reden te vrezen dat het verzoekster aan partijdigheid ontbreekt. Daarom moet de wrakingskamer het verzoek tot verschoning gegrond verklaren.
Wrakingsverzoek
2.6.
Nu de wrakingskamer de in 2.5. weergegeven beslissing neemt, heeft verzoekster geen belang meer bij een beslissing op het verzoek tot wraking. De rechtbank zal haar daarin niet-ontvankelijk verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
3.2.
verklaart het verzoek tot verschoning gegrond;
3.3.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter, de belanghebbende, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;
3.4.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 5281639 UC EXPL 16-11354 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. S.C. Hagedoorn en mr. H.A. Brouwer als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.