ECLI:NL:RBMNE:2017:3131

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2017
Publicatiedatum
26 juni 2017
Zaaknummer
439959 / HA RK 17-123
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 39 lid 4 RvBesluit opleiding rechterlijke ambtenaren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter wegens vermeende beslissingsonbevoegdheid niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker diende namens een partij een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een procedure tot ontbinding van een Vereniging van Eigenaren. Het verzoek betrof de stelling dat de rechter niet beslissingsbevoegd zou zijn omdat hij niet aan de opleidingseisen voldoet.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend, aangezien de vermeende nieuwe feiten reeds bij eerdere zittingen bekend hadden kunnen zijn. Bovendien was eerder een wrakingsverzoek van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in dezelfde procedure niet in behandeling worden genomen om onnodige vertraging te voorkomen. De procedure wordt voortgezet in de stand van vóór de schorsing wegens wraking.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard en toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaak worden niet in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie Utrecht
Zaaknummer: 439959 / HA RK 17-123
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 16 juni 2017
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
[verzoeker] ,wonende te [woonplaats] , (verzoeker),

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft per e-mail van 2 juni 2017 een wrakingsverzoek ingediend namens [A] . De secretaris van de wrakingskamer heeft verzoeker er vervolgens op gewezen dat aan [A] in de beslissing van 12 mei 2017 een wrakingsverbod is opgelegd in de desbetreffende procedure.
Vervolgens heeft verzoeker per e-mail van 5 juni 2017 meegedeeld dat hij niet anders kan dan alsnog het wrakingsverzoek in te dienen op eigen naam.
1.2.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. D.J. van Maanen als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 5279520 UE VERZ 16-400. De hoofdzaak betreft een verzoekschrift van verzoeker tot ontbinding van een Vereniging van Eigenaren. De rechter heeft dit verzoek behandeld ter zitting van 7 maart 2017. Verzoeker heeft eerder, op 15 maart 2017, een wrakingsverzoek in de hoofdzaak ingediend. Daarop heeft de wrakingskamer op 2 mei 2017 beslist dat verzoeker in dat verzoek niet-ontvankelijk was, omdat hij het verzoek niet tijdig had ingediend.
2.2.
Verzoeker heeft aan onderhavig wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter bij zijn eerste aantreden beslissingsonbevoegd was omdat hij niet voldoet aan de eisen gesteld in het Besluit opleiding rechterlijk ambtenaren. Verzoeker betoogt dat dit nieuwe feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan hij mag wraken.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. In artikel 37 Rv Pro is bepaald dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.2.
Het wrakingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk omdat het niet voldoet aan de hiervoor weergegeven eis van artikel 37 Rv Pro dat het verzoek tijdig wordt gedaan. Verzoeker beroept zich erop dat de rechter niet beslissingsbevoegd is omdat hij niet voldoet aan het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren. Volgens verzoeker voldoet de rechter al vanaf zijn eerste aantreden niet aan de opleidingseisen. Verzoeker brengt dit echter pas in het onderhavige wrakingsverzoek op 5 juni 2017 naar voren. Een artikel in het Financieele Dagblad heeft, zo begrijpt de wrakingskamer uit zijn email, de aandacht van verzoeker gevestigd op de door hem geformuleerde grond voor het verzoek tot wraking. Niet valt in te zien dat verzoeker deze niet tijdens of voorafgaand aan de zitting van 7 maart 2017 naar voren heeft kunnen brengen.
3.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaren.
3.4.
De wrakingskamer ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Rv. Een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, betrekking hebbend op de procedure met zaaknummer 5279520 UE VERZ 16-400, zal ter voorkoming van verdere onnodige vertraging van de behandeling van de hoofdzaak niet in behandeling worden genomen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is sprake van misbruik in de zin van genoemde bepaling. Dat leidt de rechtbank in de eerste plaats af uit de hiervoor weergeven wijze waarop verzoeker zijn verzoek ingediend en gemotiveerd heeft, die met zich brengt dat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarnaast heeft de wrakingskamer gelet op de omstandigheid dat verzoeker eerder een verzoek tot wraking van de rechter heeft ingediend, in welk verzoek verzoeker ook niet-ontvankelijk verklaard is.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk niet-ontvankelijk;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking gericht is alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 5279520 UE VERZ 16-400 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
4.4.
bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking in de zaak met het zaaknummer 5279520 UE VERZ 16-400 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mr. K.J. Veenstra en mr. S.C. Hagedoorn als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A.L. de Gier, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2017.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.