Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
21 december 2016. De behandeling van de zaak is gesloten op 12 januari 2017.
1.De procedure
- het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 8 juli 2016, met bijlagen, nr. P1406250845.AMB, pagina 1 tot en met 1116 (hierna: het rapport);
- de overige stukken;
Daarnaast is gehoord de vertegenwoordiger van veroordeelde, [A] , werkzaam als algemeen directeur. Veroordeelde is ter terechtzitting bijgestaan door
mr. A.A. Bos, advocaat te Zwolle.
De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen veroordeelde, bekend onder hetzelfde parketnummer.
2.De beoordeling
september 2009 tot en met september 2013. Ook heeft de verdediging een aantal in het rapport benoemde posten betwist.
Tot slot heeft de verdediging een draagkrachtverweer gevoerd.
Van deze gevaarlijke stof [10] ontdoet veroordeelde zich als ongevaarlijke afvalstof onder de naam “bleekaarde” en op de daartoe opgemaakte begeleidingsbrieven en CMR-vervoersbewijzen is telkens de naam “bleekaarde” vermeld.
Het rapport en de officier van justitie gaan bij het berekenen van de hoeveelheid actieve kool die veroordeelde als afvalstof zou hebben afgevoerd uit van gegevens van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). Het LMA, dat is aangewezen als de landelijke meldinstantie voor bedrijfs- en gevaarlijke afvalstoffen, heeft de betreffende gegevens ontvangen van de bedrijven die de betreffende afvalstof van veroordeelde hebben afgevoerd.
In het dossier is aan de hand van begeleidingsbrieven, CMR-vervoersdocumenten, weegbrieven en facturen van de bedrijven die het afval van veroordeelde hebben afgevoerd, over de periode van 1 juli 2012 tot en met 8 november 2013 af te leiden hoeveel kilogram van de afvalstof “bleekaarde” is afgevoerd door veroordeelde.
Over de periode van 18 september 2008 tot en met 10 juli 2012 zijn hierover echter geen gegevens bekend. De rechtbank berekent de hoeveelheid afvalstof die in deze periode zou zijn afgevoerd aan de hand van het aantal kilogram aan oliën en vetten dat door veroordeelde zou zijn gefilterd in die periode. Dit aantal leidt de rechtbank af uit door veroordeelde verzonden facturen/orders. Aan de hand van de hoeveelheid gefilterde oliën en vetten wordt vervolgens de hoeveelheid aan afgevoerde afvalstof berekend.
- 14 oktober 2009, met nummer 9227, gericht aan [bedrijf 2] , betreffende 19.260 kilogram vetzuren;
- 19 oktober 2009, met nummer 9229, gericht aan [bedrijf 2] , betreffende 112.260 kilogram vetzuren;
25 november 2009 in totaal 1.145.615 kilogram aan vetten en oliën aangevoerd ter filtering.
10 juli 2012 in totaal 87 orders heeft uitgevoerd voor het filteren van vetten en oliën. Aannemelijk is dat hierbij in totaal 17.783.120 kilogram aan vetten en oliën is aangevoerd bij veroordeelde ter filtering. [38]
Om te voorkomen dat er een dubbeltelling plaatsvindt over de periode juni 2012 en
juli 2012, zoals hiervoor onder 2.3.1.2 is berekend, neemt de rechtbank het aantal berekende kilogrammen over de periode van juni 2012 en juli 2012 niet mee.
De verdediging heeft gesteld dat de afvalstof vanaf september 2013 telkens is afgevoerd ter verbranding. Deze stelling is niet aannemelijk geworden. Dit verweer wordt verworpen.
In de periode van 1 augustus 2012 tot en met 30 november 2013 is in totaal 265.950 kilogram afgevoerd. [45]
€ 210,00 per ton.
In het voordeel van veroordeelde gaat de rechtbank uit van € 65,00 per ton =
€ 0,065 per kilogram. De bespaarde kosten per kilogram zijn € 0,210 – € 0,065 = € 0,145.
€ 76.988,00kan aan de veroordeelde worden opgelegd.
3.Toepasselijke wettelijke voorschriften
4.De beslissing
€ 76.988,00 (zegge: zesenzeventigduizend negenhonderdachtentachtig euro en nul eurocent). Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 76.988,00 (zegge: zesenzeventigduizend negenhonderdachtentachtig euro en nul eurocent).