Eiser vroeg een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijgebouw en het gebruik daarvan als gastenverblijf. De vergunning voor bouwen werd verleend, maar het gebruik als gastenverblijf werd geweigerd. Eiser beriep zich op het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan, dat voortgezet gebruik zonder vergunning toestaat.
De rechtbank oordeelde dat alleen het beroep tegen de weigering van de gebruiksvergunning aan de orde was. Eiser moest aannemelijk maken dat het gebruik als gastenverblijf sinds het in werking treden van het bestemmingsplan in 2002 met enige regelmaat was voortgezet en niet langer dan een jaar onderbroken was.
Hoewel eiser verklaringen over gebruik tot 2006 overlegd had, ontbraken gegevens over de periode 2007 tot 2013. De rechtbank vond deze onderbreking te lang om voortgezet gebruik aan te nemen. Ook was geen sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast faalde het beroep op afwijkingsbeleid van het bestemmingsplan, omdat eiser niet had toegelicht welke onjuistheden of onredelijke situaties zich voordeden. De rechtbank concludeerde dat verweerder de vergunning voor het gebruik als gastenverblijf terecht had geweigerd.