ECLI:NL:RBMNE:2017:4985

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 september 2017
Publicatiedatum
4 oktober 2017
Zaaknummer
446480 / HA RK 17-207
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak met parketnummer 16/804804-13

Op 18 september 2017 heeft de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland in Utrecht een wrakingsverzoek behandeld van een verzoeker, wonende in Bulgarije, tegen de rechters die zijn strafzaak behandelen. Het wrakingsverzoek was gericht tegen mrs. E.M. de Stigter, E. Akkermans en R.L.M. van Opstal, die in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/804804-13 de behandeling voerden. Verzoeker stelde dat de rechters de schijn van vooringenomenheid hadden gewekt door het verzoek tot het horen van een getuige af te wijzen zonder voldoende motivering. De rechters gaven in hun schriftelijke reactie aan dat hun beslissing voldoende was gemotiveerd en dat er geen sprake was van vooringenomenheid. Tijdens de mondelinge behandeling waren verzoeker, zijn raadslieden, de rechters en de officier van justitie aanwezig. De wrakingskamer oordeelde dat de feiten en omstandigheden die verzoeker aanvoerde geen grond vormden voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid in het geding was. De wrakingskamer verklaarde het verzoek tot wraking ongegrond en droeg de griffier op om deze beslissing aan alle betrokken partijen toe te zenden. De zaak van verzoeker met parketnummer 16/804804-13 dient voortgezet te worden in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 446480 / HA RK 17-207
Proces-verbaal van de beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 18 september 2017
op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] (Bulgarije),
(verder te noemen: verzoeker).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 september 2017 in de zaak met het parketnummer 16/804804-13, op welke terechtzitting verzoeker tegen de meervoudige strafkamer, bestaande uit mr. E.M. de Stigter, mr. E. Akkermans en
mr. R.L.M. van Opstal, een verzoek tot wraking heeft ingediend;
  • een schriftelijke reactie van vorengenoemde rechters op het wrakingsverzoek;
  • een schriftelijke toelichting van mr. C. Stroobach op het wrakingsverzoek; en
  • een brief van 22 augustus 2017 waarin mr. Stroobach aangeeft het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige ter terechtzitting te zullen herhalen en een reactie van de officier van justitie, mr. Van IJzerdoorn, daarop.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 18 september 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker, diens raadslieden, mr. C. Stroobach en
mr. K. Karakaya, de rechters en de officier van justitie, mr. M.R.A. van IJzerdoorn verschenen. Verzoeker is bijgestaan door mevrouw E. van Ringelesteijn-Avramova, tolk Bulgaars.
Onderhavig verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek van [A]
(446486 / HA RK 17-208), medeverdachte van verzoeker in de onderliggende strafzaak.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. E.M. de Stigter, E. Akkermans en R.L.M. van Opstal als behandelend rechters (hierna te noemen: de rechters), in de zaak met het parketnummer 16/804804-13.
2.2.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Door wel het verdedigingsbelang tot het horen van [getuige] als getuige te erkennen, maar vervolgens niet nader te motiveren waarom het horen van deze [getuige] als getuige wordt afgewezen, heeft de rechtbank de schijn van vooringenomenheid gewekt. Met deze beslissing loopt de rechtbank immers vooruit op de betekenis van de verklaring van [getuige] zoals deze er nu ligt. Dit terwijl de rechtbank is voorgehouden dat deze verklaring evident onjuist is. Bovendien loopt de rechtbank, door te stellen dat de getuige niet belastend heeft verklaard, vooruit op de beoordeling van de overige bewijsmiddelen in het dossier waarmee de getuige niet geconfronteerd kon worden, zoals taps en geldstromen. Tot slot heeft verzoeker naar voren gebracht dat de rechtbank het kennelijk niet van belang vind dat verzoeker zelf begrijpt waarom er in zijn zaak een bepaalde beslissing is genomen.
2.3.
De rechters hebben niet berust in de wraking. In hun schriftelijke reactie hebben zij zich op het standpunt gesteld dat hun beslissing tot het niet horen van [getuige] als getuige door de rechtbank ter zitting voldoende is gemotiveerd en geen blijk heeft gegeven van een vooringenomenheid jegens verzoeker. Naar vaste rechtspraak dient bij een beslissing over aanhouding een afweging te worden gemaakt tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van verzoeker om een getuige te horen, het belang dat niet alleen de verzoeker maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
Bij deze belangenafweging hebben de rechters acht geslagen op het feit dat het gaat om een getuige die niet belastend heeft verklaard over verzoeker en dat al vanaf 2013 is geprobeerd deze getuige te horen. Daarnaast is van belang dat de zaak al vele jaren loopt en dat vorig jaar oktober al een aanhouding heeft plaatsgehad, waarna bleek dat het zeer lastig was de zaken van verzoeker en zijn medeverdachte weer op zitting te plannen. Er is inmiddels bijna een jaar verstreken sinds de laatste zitting. De rechters zijn daarom van oordeel dat het belang van een spoedige berechting en een doeltreffende rechtspleging zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om [getuige] te horen.Ten aanzien van het niet alsnog nader motiveren van deze beslissing hebben de rechters volstaan met verwijzing naar de eerdere gegeven motivering.
Verder hebben zij naar voren gebracht dat het hier gaat om een processuele beslissing, die geen grond voor wraking oplevert, tenzij de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid.
2.4.
Als belanghebbende heeft de officier van justitie nog het volgende naar voren gebracht. Naar zijn mening hebben de rechters op het verzoek tot het horen van [getuige] als getuige een weloverwogen beslissing genomen. De afwijzing van dit verzoek geeft op zichzelf geen enkele blijk van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
3.3.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.4.
De beslissing om een getuige te horen en om een zaak daarvoor al dan niet aan te houden is een procesbeslissing. Een procesbeslissing levert op zichzelf geen grond voor wraking op, tenzij de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan vanuit een gebrek aan onpartijdigheid. Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de wrakingskamer niet voor. De beslissing is gemotiveerd. Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven motivering acht de wrakingskamer de beslissing, ook zonder de gevraagde nadere motivering, voldoende inzichtelijk en begrijpelijk.
3.5.
De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking, ook niet wanneer deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden beschouwd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechters, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf-, Familie- en Jeugdrecht en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de zaak van verzoeker met parketnummer 16/804804-13 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr.drs. R. in ’t Veld, voorzitter, mr. N.M. Spelt en
mr. R. Berendsen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N. Kruijswijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2017.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.