Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 juni 2017;
- de akte houdende producties van Imko d.d. 24 augustus 2017;
- het proces-verbaal van comparitie van 27 september 2017;
2.De feiten
3.De vordering en het verweer
5.De beoordeling
Het hof kan in het midden laten of de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Ook als dit niet het geval zou zijn, vertoont de overeenkomst, waarbij [geïntimeerde] als hoofdverplichting op zich neemt geregeld lessen te verzorgen, die [appellante] mag bijwonen, in elk geval zodanig nauwe verwantschap met de overeenkomst van opdracht dat de genoemde artikelen overeenkomstige toepassing behoren te vinden’’.En verder ook : ‘’
Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen werden bedingen in overeenkomsten tot het geregeld doen van verrichtingen die een duur bepalen van meer dan een jaar, vermoed onredelijk bezwarend te zijn, tenzij de consument de bevoegdheid heeft de overeenkomst telkens na een jaar op te zeggen (artikel 6:236, aanhef en onder j, BW en artikel 7:237, aanhef en onder k, BW). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen volgt dat ook cursus- en lesgeldovereenkomsten tot de hier bedoelde overeenkomsten gerekend moeten worden (Parl. Gesch. BW Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1706). De overeenkomst tussen partijen is door [geïntimeerde] – terecht – gekwalificeerd als een cursusovereenkomst (memorie van antwoord, nr. 2.9). De artikelen 3 en 4 AV worden derhalve vermoed onredelijk bezwarend te zijn.’
artikel 6.1.2a, tweede lid, die deel uitmaken van de beroepsopleiding,
.onderwijs aan een inrichting voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 61 van Pro de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover het geen volledig onderwijs betreft; een op grond van de Experimentenwet onderwijs uit de openbare kas bekostigde cursus, voor zover het voortgezet onderwijs betreft;