Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 708906 CV EXPL 12-2161)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met één productie;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
Teneinde instellingen en deelnemers over en weer helderheid ten aanzien van de wederzijdse rechten en plichten te bieden en daardoor de rechtspositie van, vooral, de deelnemers te versterken, verdient het aanbeveling om, binnen het wettelijk raam, de relatie tussen instelling en deelnemer contractueel te regelen. Een dergelijke overeenkomst verschaft in concrete situaties meer houvast om rechten en plichten van betrokkenen vast te stellen dan bepalingen in wetgeving, die algemeen toepasbaar moeten zijn en uit dien hoofde een meer globaal karakter dragen.”
het contract(hof: de onderwijsovereenkomst)
is daarmee mede bepalend voor de relatie tussen de deelnemer en de instelling (…). “Mede”, dus niet onder uitsluiting van andere regelgeving.
te allen tijde”) voor zover dat in het nadeel van de opdrachtgever/consument zou zijn.
De hiervoor besproken a.v.4 is in strijd met deze dwingendrechtelijke regeling hetgeen, naast de in r.o. 3.6.7 genoemde aspecten die op zichzelf genomen reeds tot de kwalificatie “onredelijke bezwarend” leidden, eveneens tot die kwalificatie leidt.