Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2017 in de zaak tussen
[eiser 1] ( [aanduiding eiser 1] ), geboren op [2003] , wettelijk vertegenwoordigd door [A] en [eiser 2] ( [aanduiding eiser 2] ), geboren op [1998] , vertegenwoordigd door [A] , te [woonplaats] , eisers,
Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder
Procesverloop
1 juli 2008 tot en met 30 juni 2013. Tevens heeft verweerder een bedrag van
€ 87.097,50 teruggevorderd.
Overwegingen
- Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat gelden die op de privé-bankrekening van [B] zijn overgemaakt niet voor zorg aan de budgethouder zijn besteed. Het werd of verdeeld tussen de ouders en [B] of het werd benut voor zorg aan anderen dan de budgethouder in kwestie;
- Eisers hebben in de periode in geding in totaal een bedrag van € 2.455,00 overgemaakt naar de privé-bankrekening van [B] ;
- [A] heeft tijdens de hoorzitting van 17 september 2014 verklaard dat haar kind(eren) onder andere naar […] en Turkije is/zijn geweest;
- de verantwoordingsformulieren niet in overeenstemming zijn met de facturen;
- de facturen niet overeenkomen met de verrichte betalingen;
- op de bankafschriften geen factuurnummers zijn vermeld;
- zorgovereenkomsten en urendeclaraties ontbreken;
- in strijd met de Regeling vooruitbetalingen en contante betalingen hebben plaatsgevonden;
- verschillende uurtarieven in rekening zijn gebracht, waar geen zorgovereenkomst dan wel wijzigingsovereenkomst aan ten grondslag heeft gelegen;
- er “IB” en “Coaching” als zorg wordt gefactureerd waarvan onduidelijk is wat dit precies inhoudt en of het wel kwalitatieve AWBZ-zorg betreft.
Omdat het vaststellingsbesluit een definitieve aanspraak op financiële middelen vestigt, moet een dergelijk besluit in beperktere mate intrekbaar zijn dan een verleningsbesluit. Ten tijde van de vaststelling kan al worden beoordeeld of de activiteiten hebben plaatsgevonden en de verplichtingen zijn nagekomen. Daarom is in artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb bepaald, dat de vaststelling op deze gronden slechts kan worden ingetrokken, voor zover de desbetreffende feiten of omstandigheden het bestuursorgaan bij de vaststelling niet bekend konden zijn (Kamerstukken II, 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 77 en Centrale Raad van Beroep, 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1398).
Beslissing
mr. E.G.J. Broekhuizen, leden, in aanwezigheid van mr. L. Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.