ECLI:NL:RBMNE:2017:876

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2017
Publicatiedatum
23 februari 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5201
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbActiviteitenbesluit milieubeheer
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor keerwanden onterecht; vergunning herleeft

De zaak betreft een geschil over een omgevingsvergunning voor het plaatsen van keerwanden ten behoeve van opslag en kering van bulk- en stukgoederen op een perceel in Utrecht. Na aanvankelijke vergunningverlening op 20 november 2015 heeft de gemeente deze vergunning herroepen en geweigerd na bezwaar en beroep van derden. Verzoekers, bestaande uit een BV en haar directeur, hebben beroep ingesteld tegen deze weigering.

De rechtbank oordeelt dat bij de beoordeling van het gebruik van de vergunning ten onrechte ook een latere aanvraag voor uitbreiding van activiteiten is betrokken, waardoor de conclusie dat de inrichting buiten de milieucategorie en geurnorm valt onvoldoende is gemotiveerd. Hierdoor kan de weigering niet in stand blijven en herleeft de oorspronkelijke vergunning.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen die de gemeente verplicht als zou worden gehandeld alsof de vergunning onherroepelijk is. Wel wordt geoordeeld dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij een oordeel over de vergunning, omdat zonder de keerwanden de bedrijfsvoering niet kan worden voortgezet en handhaving dreigt.

Daarom worden de proceskosten van verzoekers voor het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de griffierechten vergoed. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 februari 2017 door voorzieningenrechter S. Wijna.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar de eerder verleende omgevingsvergunning herleeft en de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 16/5201
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
en [eiser 2], wonende te [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ramdoelare Tewari).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] , [derde-partij 2] , [derde-partij 3] , [derde-partij 4] , [derde-partij 5] , [derde-partij 6] , [derde-partij 7] , [derde-partij 8] , [derde-partij 9] , [derde-partij 10] , [derde-partij 11] en [derde-partij 12] , allen te [woonplaats] .
(gemachtigde: drs. E.M. Korevaar).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2015 heeft verweerder [eiser 1] B.V. ( [eiser 1] ) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van diverse keerwanden ten behoeve van de opslag/kering van bulk- en stukgoederen op het adres [adres] in [woonplaats] (het perceel).
Bij besluit van 27 juni 2016 heeft verweerder de onder meer door derde-partijen daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de verleende vergunning herroepen en, naar de rechtbank begrijpt, de vergunning voor de keerwanden alsnog geweigerd.
[eiser 1] heeft hiertegen beroep ingesteld.
Op 3 november 2016 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 27 juni 2016, opnieuw beslist op de bezwaren tegen het besluit van 20 november 2015. Verweerder heeft de bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 20 november 2015 herroepen en de omgevingsvergunning voor de keerwanden alsnog geweigerd. Het besluit van 3 november 2016 is gericht aan [eiser 2] .
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het tegen het besluit van 27 juni 2016 gerichte beroep van [eiser 1] mede gericht tegen het besluit van 3 november 2016. Ook [eiser 2] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 november 2016. Het beroep van [eiser 2] en [eiser 1] (verzoekers) wordt behandeld onder zaaknummer UTR 16/3344.
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer UTR 16/3344, plaatsgevonden op 12 januari 2017. [eiser 2] , directeur van [eiser 1] , is verschenen, bijgestaan door ing. [A] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. [B] . [derde-partij 7] , [derde-partij 8] en [derde-partij 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

Bij uitspraak van heden in het beroep met zaaknummer UTR 16/3344 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 3 november 2016 vernietigd. Dit betekent dat de op 20 november 2015 aan [eiser 1] verleende omgevingsvergunning herleeft en dat de keerwanden mogen worden gebruikt voor de in de notitie van 21 oktober 2016 genoemde activiteiten. Verweerder dient opnieuw te beslissen op de daartegen gemaakte bezwaren.
Verzoekers hebben verzocht de voorziening te treffen dat verweerder jegens hen dient te handelen als ware [eiser 1] in het bezit van een omgevingsvergunning.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op deze beslissing in de hoofdzaak, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is voor een vergoeding van de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt voor de door hen gevraagde voorlopige voorziening.
Derde-partijen betogen dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij de door hen gevraagde voorziening.
Verzoekers stellen dat er wel sprake is van een spoedeisend belang. De keerwanden zijn noodzakelijk om te voldoen aan de voorwaarden die op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de inrichting gelden. Zonder de keerwanden kan de bestaande bedrijfsvoering op het perceel niet worden voortgezet. Aangezien derde-partijen bij verweerder een verzoek om handhaving hebben ingediend, zal een weigering van de omgevingsvergunning voor de keerwanden betekenen dat verweerder handhavend moet optreden. Bij een weigering van de vergunning kunnen verzoekers de bestaande bedrijfsvoering op het perceel dus niet voortzetten.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Zij overweegt daartoe dat verzoekers onweersproken hebben gesteld dat zij bij weigering van de vergunning de bestaande bedrijfsvoering op het perceel moeten staken. Dat verzoekers zelf het risico hebben genomen om de wanden al te realiseren en al met de activiteiten aan te vangen voordat de vergunning onherroepelijk was, neemt niet weg dat zij een spoedeisend belang hebben bij een oordeel over de vraag of verweerder de vergunning terecht heeft geweigerd.
Aangezien verzoekers een spoedeisend belang hadden bij de door hen gevraagde voorziening, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekers ten behoeve van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 742,20 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting vanwege de gevoegde behandeling met het beroep, waarde per punt € 495,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Verweerder dient ook het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 742,50;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan verzoekers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Wijna, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.