De werknemer trad in december 2003 in dienst bij de werkgever als verkoopmedewerker binnendienst. Na een officiële waarschuwing in februari 2016 meldde hij zich in juli 2016 ziek vanwege spanningen op het werk. Na een vakantieperiode trad hij niet meer aan het werk, waarop de werkgever een loonsanctie oplegde en het salaris stopzette vanaf 22 september 2016.
De werknemer vorderde in kort geding het achterstallige loon en doorbetaling van salaris, stellende dat hij arbeidsongeschikt was op grond van een deskundigenoordeel van het UWV per 8 augustus 2016 en dat de werkgever onredelijk handelde door loonsancties te treffen en geen mediator in te schakelen.
De werkgever voerde aan dat de bedrijfsarts op 14 september 2016 had vastgesteld dat de klachten van de werknemer situatief waren en geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. De werknemer had onvoldoende medische onderbouwing overgelegd voor de periode na 14 september 2016 en had herhaaldelijk geweigerd in gesprek te gaan met de werkgever en bedrijfsarts.
De kantonrechter oordeelde dat het deskundigenoordeel slechts betrekking had op 8 augustus 2016 en dat onvoldoende aannemelijk was dat de werknemer vanaf 14 september 2016 arbeidsongeschikt was. Ook was onvoldoende aannemelijk dat de werknemer zich beschikbaar had gehouden voor overleg. De vorderingen werden daarom afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.