Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
- een rapport van 19 oktober 2017, opgemaakt door prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog;
- een rapport van 23 oktober 2017, opgemaakt door drs. H.E.M. Koornstra, psycholoog;
- een rapport van 27 oktober 2017, opgemaakt door C.A.J. Veldman, psychiater.
8.OPLEGGING VAN STRAF
een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen, waarvan
van 131 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders
een proeftijd van 3 (drie) jarenvast.
een taakstraf van 120 urenen beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis. Een poging tot doodslag is een ernstig feit. Verdachte heeft [slachtoffer] met een mes op een kwetsbare plek, te weten de borstkas waar hart en longen zitten, gestoken. De gevolgen zijn relatief beperkt gebleven, maar het had anders kunnen aflopen. Gelet op de persoon van de verdachte acht de rechtbank terugkeer naar de gevangenis niet passend en niet van toegevoegde waarde. Echter vanwege de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk een taakstraf moet verrichten.
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
een gevangenisstraf van 150 dagen;
een gedeelte van 131 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
een proeftijd van 3 (drie) jarenvast;
een taakstraf van 120 uren;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen hechtenis;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.