ECLI:NL:RBMNE:2018:1885

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 mei 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
16/652638-17 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11b OpiumwetArt. 10 lid 4 OpiumwetArt. 2 ahf/ond B OpiumwetArt. 11b lid 1 OpiumwetArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wettig bewijs deelname en handel in cocaïne

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en het handelen in cocaïne in de periode van januari 2014 tot mei 2017. Hoewel er sterke aanwijzingen waren dat verdachte betrokken was bij de cocaïnehandel, ontbrak het aan voldoende wettig bewijs om dit overtuigend vast te stellen.

De tenlastelegging betrof deelname aan een organisatie die zich bezighield met het verhandelen en aanwezig hebben van cocaïne en het zelf handelen in deze drug. De rechtbank oordeelde dat het feit dat een auto op naam van verdachte bij verschillende drugsdeals werd gezien onvoldoende is om te concluderen dat verdachte zelf vanuit die auto handelde.

Daarmee kon ook niet worden bewezen dat verdachte deelnam aan de criminele organisatie zoals ten laste gelegd. De rechtbank sprak verdachte vrij en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor deelname aan een criminele organisatie en handel in cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/652638-17 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 mei 2018
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1988] te [geboorteplaats]
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats]

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting van 9 april 2018. Het onderzoek is gesloten op 23 april 2018.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. B. Nitrauw en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mrs. J.W.D. Roozemond en S. Melliti, advocaten te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 9 april 2018 gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1
in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 mei 2017 te Woerden en/of Uithoorn en/of Harmelen en/of Mijdrecht heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het verhandelen en/of aanwezig hebben van cocaïne;
Feit 2
in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 mei 2017 te Woerden en/of Uithoorn en/of Harmelen en/of Mijdrecht samen met anderen in cocaïne heeft gehandeld en/of cocaïne aanwezig heeft gehad.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.VRIJSPRAAK

Ten aanzien van feit 1 en feit 2
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Alhoewel er op basis van het dossier sterke aanwijzingen zijn dat verdachte zich bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne, ontbreekt daartoe afdoende wettig bewijs. De omstandigheid dat op verschillende momenten bij drugsdeals een auto op naam van verdachte is gezien, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat het ook verdachte is geweest die vanuit die auto in cocaïne heeft gehandeld. Nu dat niet kan worden vastgesteld, ontbreekt eveneens het bewijs dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals is ten laste gelegd onder feit 1.

5.BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. C.M.A.T. van der Geest, voorzitter, mrs. V. van Dam en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Benschop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 mei 2018.
Mr. V. van Dam is buiten staat mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode gelegen tussen 1
januari 2014 tot en met 17 mei 2017 te Woerden en/of Uithoorn en/of Harmelen
en/of Mijdrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een
organisatie, gevormd door (onder meer) verdachte en [medevedachte] , welke
organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens)
opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of
vervoeren en/of aanwezig hebben van hoeveelheden cocaine, in elk geval
(telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
art. 11b Opiumwet
art 10 lid 4 Opiumwet Pro
art 2 ahf Pro/ond B Opiumwet
art 11b lid 1 Opiumwet
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode gelegen tussen 1
januari 2014 tot en met 17 mei 2017 te Woerden en/of Uithoorn en/of Harmelen
en/of Mijdrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of
meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft
gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaine, in elk
geval (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst
I;
art. 2 Opiumwet Pro
art 2 ahf Pro/ond B Opiumwet
art 10 lid 1 ahf Pro/ond a alinea Opiumwet