ECLI:NL:RBMNE:2018:2656
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- S.C. Hagedoorn
- M.C. Oostendorp
- N.M. Spelt
- Rechtspraak.nl
Beslissing op wrakingsverzoek tegen rechters in BOPZ-procedure
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die zijn zaak over een machtiging voortgezet verblijf in het kader van de Wet BOPZ zou behandelen. Dit verzoek werd behandeld door de wrakingskamer, waarbij verzoeker tevens de wrakingskamer zelf wraakte vanwege vermeende vooringenomenheid en onrechtmatige daad.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 Rv Pro en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarbij onpartijdigheid van de rechter centraal staat. De kamer stelde vast dat het wrakingsverzoek niet specifiek gericht was tegen de leden van de wrakingskamer, maar tegen de gehele rechterlijke macht, en dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om een schijn van partijdigheid aan te tonen.
Daarom verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Tevens werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker met betrekking tot de betrokken procedures niet in behandeling zal worden genomen om misbruik van het wrakingsmiddel te voorkomen.
De beslissing werd openbaar uitgesproken op 13 juni 2018 en is niet vatbaar voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.