Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1klaagt betrokkene dat zijn door wettelijke termijnen beschermde belang meebrengt dat de machtiging tot voortgezet verblijf niet mocht worden verleend voor een langere termijn dan één jaar
na de datum waarop de vorige machtiging was verstreken. De machtiging had hoogstens mogen duren tot en met 14 juni 2019 (in plaats van 10 juli 2019, zoals de rechtbank heeft bepaald).
Onderdeel 2klaagt dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover de rechtbank van oordeel is dat de schorsing vanwege het wrakingsverzoek heeft geleid tot opschorting van de geldigheidsduur van de lopende machtiging.
Onderdeel 3klaagt, onder verwijzing naar art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz en art. 5 lid 4 EVRM Pro, dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de termijn waarbinnen de rechtbank had dienen te beslissen. Volgens het onderdeel strookt het met het wettelijk stelsel, dat de rechtbank rekening houdt met de tijd waarmee zij de beslistermijn heeft overschreden, door de nieuwe machtiging niet later te laten eindigen dan één jaar na het eindigen van de beslistermijn [4] .
Onderdeel 4sluit af met de hierop voortbouwende klacht dat het voortgezette verblijf van betrokkene in het ziekenhuis op grond van het voorgaande niet voldoet aan de eisen van art. 5, lid 1, onderdeel e, en lid 4 EVRM.
kande rechter rekening houden met een dergelijk tijdsverloop tussen opeenvolgende machtigingen, door dat tijdsverloop (geheel of gedeeltelijk) in mindering te brengen op de geldigheidsduur van de aansluitende machtiging. Tot een dergelijke ‘aftrek’ van dagen is de rechter echter niet verplicht. De rechter behoeft het achterwege laten daarvan in beginsel ook niet te motiveren. Anders ligt het in het (hier niet aan de orde zijnde) geval dat de officier van justitie pas ná het aflopen van de voorgaande machtiging een machtiging tot voortgezet verblijf heeft verzocht. In dat geval heeft een titel voor onvrijwillig verblijf in de tussentijd ontbroken. Dan
moetde rechter de tijd die na het aflopen van de ‘oude’ machtiging is verstreken, in mindering brengen op de geldigheidsduur van de ‘nieuwe’ machtiging [7] .
na het verstrijken van de voorafgaande machtigingmag worden verleend, faalt het. Voor een dergelijke koerswijziging, die al eerder vergeefs is bepleit [8] , zie ik geen grond, temeer nu de Wet Bopz binnenkort zal worden vervangen door de Wet verplichte ggz [9] die op dit punt een andere regeling kent [10] .
proceshandelingendoorlopen gedurende het wrakingsincident [15] . De gewraakte rechter staat evenwel buitenspel.
speedily’) moet worden beslist over de rechtmatigheid van een detentie. De beoordeling daarvan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval [16] . Dijkers werpt de vraag op of de eis van een voortvarende afhandeling ook geldt voor reguliere verlengingsprocedures ingeval de betrokkene “niet zelf ten spoedigste een beslissing van de rechter verlangt” [17] . Het lijkt mij niet uitgesloten dat een ongebruikelijk lange (reeks van) wrakingsprocedure(s) leidt tot een zodanige vertraging van het geding, dat niet meer kan worden gesproken van een spoedige beslissing in de zin van art. 5 lid 4 EVRM Pro [18] . In dit geval echter, waarin twee opeenvolgende wrakingsverzoeken binnen 32 dagen zijn afgewikkeld en waarin circa drie weken zijn verstreken tussen het verstrijken van de voorafgaande machtiging en het verlenen van de aansluitende machtiging, zie ik geen aanknopingspunten voor dat oordeel [19] . Bij lezing van de beslissingen van de wrakingskamer dringt zich de conclusie op dat de beide wrakingsverzoeken op voorhand kansloos waren en dat de wrakingskamer, door te bepalen dat verdere wrakingsverzoeken niet in behandeling werden genomen, betrokkene juist heeft behoed voor verdere, aan hemzelf toe te rekenen vertraging.
kennelijkerekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent [21] . Variërend op deze zaak, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een geval waarin een machtiging tot voortgezet verblijf zou zijn verleend met een geldigheidsduur tot en met “10 juli 2029”. Discussies over eventuele ‘aftrek’ van de tijd die tussen opeenvolgende machtigingen is verstreken lenen zich niet voor eenvoudig herstel op de voet van art. 31 lid 1 Rv Pro. Hoe dan ook, er is in deze zaak geen aanleiding voor herstel: van een foutief bepaalde geldigheidsduur is geen sprake.