De zaak betreft een verzoek van vier erfgenamen om ontheffing van de verplichting tot betaling van een schuld uit de nalatenschap van hun overleden ouders uit eigen vermogen, op grond van artikel 4:194a lid 2 BW. De erfgenamen hadden de nalatenschap zuiver aanvaard en ontdekten de schuld pas na de inwerkingtreding van deze wetsbepaling. De kantonrechter oordeelt dat de erfgenamen de schuld niet kenden en ook niet behoorden te kennen op het moment van zuivere aanvaarding eind 2015.
De erfgenamen hadden na het overlijden van de ouders betalingsregelingen getroffen voor uitvaartkosten en de nalatenschap afgewikkeld, waarbij zij schulden uit eigen middelen betaalden. De schuld aan de belanghebbende, een autobedrijf, was niet opgenomen in de boedelbeschrijvingen en werd pas in november 2017 bekend door toezending van een vonnis. Telefonische mededelingen in september 2016 over een openstaande schuld waren onvoldoende voor ontdekking van de schuld.
De kantonrechter stelt vast dat de erfgenamen geen feiten of omstandigheden kenden die hen op de hoogte hadden moeten brengen van de schuld en dat zij zich niet zodanig hebben gedragen dat de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat zij de schuld uit eigen vermogen zouden voldoen. Het verzoek om ontheffing wordt daarom toegewezen, het subsidiaire verzoek tot machtiging tot beneficiaire aanvaarding wordt niet behandeld. De proceskosten worden niet aan de belanghebbende opgelegd.