Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
een daad verrichtte, die zijn mening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan de dag legde”. [30] Het antwoord op de vraag of bepaalde gedragingen noodzakelijk de bedoeling van de erfgenaam om de nalatenschap te aanvaarden aan de dag leggen, hangt af van de omstandigheden van het geval, zo volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad. [31] In art. 4:1095 BW Pro (oud) was ten aanzien van enkele handelingen uitdrukkelijk bepaald dat zij geen stilzwijgende aanvaarding opleverden. [32] Genoemd werden: “
al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft”, daden die alleen dienen tot bewaring, en daden strekkende tot toezicht op of het “
bij voorraad” beheren van de nalatenschap. [33] Volgens de Hoge Raad moet art. 4:1095 BW Pro (oud) als uitzonderingsartikel steeds eng worden uitgelegd (“
strictae interpretationis”). [34] Perrick merkt op dat dit vermoedelijk wil zeggen dat andere handelingen waarbij de erfgenaam zich met de boedel inlaat, niet reeds als zodanig geen zuivere aanvaarding opleveren, maar pas wanneer uit bijkomende omstandigheden blijkt van de wil om niet te aanvaarden. [35] Ook overigens wordt wel aangenomen dat de opsomming van art. 4:1095 BW Pro (oud) een niet-limitatief karakter draagt. [36]
Koperen pan-arrest volgt dat dit in ieder geval geldt voor de in art. 4:1095 BW Pro (oud) vervatte regel dat geen stilzwijgende aanvaarding mag worden afgeleid uit ‘al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft’. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat deze regel ook geldt onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud). [40]
Koperen Panoverwoog de Hoge Raad dat het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid de nalatenschap te aanvaarden, afhangt af van de omstandigheden van het geval. [46]
in abstractovaststellen. In de literatuur over art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) zijn verschillende opsommingen te vinden van handelingen van erfgenamen die in de rechtspraak ter beoordeling hebben voorgelegen. [54] Daarbij gaat het veelal om rechtspraak onder het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht, waarvan in het algemeen wordt aangenomen dat deze ook onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) van betekenis blijft (zie onder 3.13). Opgemerkt is wel dat de drempel voor zuivere aanvaarding onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) niet al te hoog lag. [55] Om een indruk te geven van om welke gedragingen het kan gaan, citeer ik de door Verstappen gegeven opsomming, die goeddeels is gebaseerd op deze oude jurisprudentie (verwijzingen weggelaten): [56]
het gebruiken en het trekken van vruchten van zaken en het beschikken over zaken;
verkoop of bezwaring en betaling van schulden zonder enige reserve;
het innen van tot de nalatenschap behorende vorderingen; het treffen van schikkingen met schuldenaren;
het meegeven aan de vuilnisman van alle zaken der nalatenschap;
het als erfgenaam deelnemen aan de verdeling;
het instellen van rechtsvorderingen die een erfgenaam toekomen;
het gestand doen van een vruchtgebruik dat de legitieme benadeelt;
de erkenning van een schuld der nalatenschap.
het nemen van maatregelen van conservatoire aard;
het doen van afstand van de huwelijksgemeenschap;
het wegnemen van enige waardeloze kledingstukken van de erflater;
het enkel uit piëteit betalen van schulden van de erflater, ook al worden de schulden uit de goederen der nalatenschap betaald, of het afgeven van legaten;
het niet verschijnen op een dagvaarding of dat wel doen maar, geen verweer voeren of zich refereren aan het oordeel van de rechter, en het niet aanwenden van een rechtsmiddel tegen een verstekvonnis;
het verkopen van een goed der nalatenschap door een gevolmachtigde van de erflater, die niet wist van het overlijden;
het als dochter blijven werken in de drukkerij van de vader die na zijn overlijden door de langstlevende wordt voortgezet;
de enkele omstandigheid dat een erfgenaam ten behoeve van de nalatenschap optreedt in een procedure, welk optreden als beheer kan worden aangemerkt;[ [57] ]
een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt”. Tegelijkertijd is ook het soort gedragingen dat leidt tot zuivere aanvaarding van de nalatenschap beperkt. Volgens het – huidige [71] – eerste lid van art. 4:192 BW Pro is van een ‘zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedragen’ alleen nog sprake als een erfgenaam “
overeenkomsten aangaat strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt”. [72] Deze beperking van de ‘aanvaardingsfictie’ van art. 4:192 lid 1 BW Pro tot gedragingen die – kort gezegd – het onttrekken van goederen aan de nalatenschap aan het verhaal van schuldeisers tot gevolg hebben, is ingegeven door de ratio van art. 4:192 lid 1 BW Pro, te weten het beschermen van schuldeisers tegen benadeling door erfgenamen, [73] zo volgt uit de memorie van toelichting bij de Wet BETS: [74]
daardoorzuivere aanvaarding plaatsvindt, aldus Kolkman. [82]
weinig geslaagd product van wetgeving”. [83] Zo neemt hij stelling tegen de vermelding in de parlementaire geschiedenis dat art. 4:192 lid 1 BW Pro ertoe strekt de schuldeisers te beschermen (zie onder 3.27): [84]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eersteplaats dat de bestreden beslissingen onjuist zijn, omdat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de op [eiseres] rustende stelplicht, mede in het licht van de regel dat een beschikkingshandeling van een erfgenaam ten aanzien van de nalatenschap onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) al spoedig wordt gekwalificeerd als een zuivere aanvaarding van de nalatenschap. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien hoe [eiseres] haar stelling nader had moeten onderbouwen. Onvoldoende gemotiveerd is het oordeel van het hof dat de door [eiseres] in hoger beroep overgelegde verklaringen van [betrokkene 3] (zoon van [verweerster 1] ) en [betrokkene 4] ( [verweerster 1] ), onvoldoende zijn in het licht van de betwisting door [verweerder 2] . Het hof had [eiseres] moeten toelaten tot bewijslevering nu zij een ter zake dienend bewijsaanbod heeft gedaan, zo begrijp ik de klacht. [89]
tweedeplaats dat onbegrijpelijk is in het licht van de door [eiseres] overgelegde verklaring van [verweerster 1] dat het hof mede op basis van de ontwerp-R&V heeft aangenomen dat er geen sieraden waren, althans heeft gemeend dat het op de weg van [eiseres] lag haar stelling dat [verweerder 2] met het leeghalen van de kamer van erflaatster en het verder doen verwijderen van de betreffende inboedel de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, nader te onderbouwen. Opgemerkt wordt dat in de verklaring van [verweerster 1] is opgenomen dat [verweerder 2] de trouwringen aan [verweerster 1] heeft aangeboden, en dat deze verklaring op het punt van de trouwring van moeder niet gemotiveerd is weersproken door [verweerder 2] , nu hij slechts gemotiveerd heeft gesteld dat de trouwring van vader er niet was en niets heeft aangegeven over de trouwring van moeder. [90]
8.1 [eiseres] biedt bewijs aan van al haar stellingen, met alle middelen rechtens. In het bijzonder biedt zij bewijs aan door getuigen. In dat verband denkt zij vooralsnog aan de navolgende, te horen getuigen: zij zelf, haar echtgenoot, [ [verweerster 1] ], haar echtgenoot en [betrokkene 3] voornoemd. In het bijzonder kunnen zij verklaren dat door [ [verweerder 2] ] (wel degelijk) beschikkingshandelingen betreffende de nalatenschap van [erflaatster] zijn verricht, een en ander als hiervóór uiteengezet.
de trouwringen waren er niet” ten aanzien van de trouwring van moeder niet nader uitgewerkt. [98] Overigens heeft [verweerder 2] ook gesteld dat sprake was van enkele kapotte horloges, een plastic halssnoer en enkele ‘prutselversierinkjes’ die men niet als sieraden kan aanmerken. [99] Uit de eigen stellingen van [verweerder 2] volgt dus dat níet dat er ‘niets’ was.
derdeplaats dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor zuivere aanvaarding onvoldoende is dat, wanneer er met [eiseres] van moet worden uitgegaan, de inboedel door [verweerder 2] deels is afgegeven aan een kringloopwinkel (al dan niet te koop) en deels is gedeponeerd bij een milieupark.
vierdeplaats, zo vervolgt het subonderdeel, is onjuist, althans onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] nader had moeten onderbouwen dat [verweerder 2] een deel van de inboedel voor zich heeft behouden anders dan ter opslag. Het hof gaat daarmee immers zonder motivering voorbij aan de essentiële stelling van [eiseres] dat uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt dat [verweerder 2] delen van de inboedel aan anderen te koop heeft aangeboden, zo wordt geklaagd. [101]
vijfdeplaats dat het hof ten onrechte de essentiële stelling van [eiseres] onbesproken heeft gelaten dat er zelfs geen beschrijving van de inboedel is opgesteld, althans dat zijn beslissing gelet op deze stelling zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Betoogd wordt dat indien zou moeten worden aangenomen dat geen boedelbeschrijving is opgesteld, het in de rede ligt dat die omstandigheid voor risico komt van degene die het standpunt inneemt dat het (doen) verwijderen van de inboedel door hem geen zuivere aanvaarding van de nalatenschap oplevert. Volgens het subonderdeel is in dat verband mede van belang dat ingevolge art. 4:211 lid 3 BW Pro, dat ook gold onder het oude recht zoals dat in deze zaak van toepassing is, op de vereffenaar(s) de verplichting rust tot het met bekwame spoed opmaken van een onderhandse of notariële boedelbeschrijving. [104]
met bekwame spoed een onderhandse of notariële boedelbeschrijving [moet] opmaken of doen opmaken, waarin de schulden der nalatenschap in de vorm van een voorlopige staat zijn opgenomen”. Zoals blijkt uit de feitenweergave onder 1.7, hebben [verweerster 1] en [verweerder 2] notaris [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , medewerker van het notariskantoor, gemachtigd om hen als vereffenaar te vertegenwoordigen bij het beheer van de boedel en de vereffening van de nalatenschap.
een overzicht van alle passiva en activa ten tijde van het overlijden [van moeder; A-G] (een boedelbeschrijving).” [105] En in de brief van 20 januari 2015 van notaris [betrokkene 1] aan DAS Rechtsbijstand is vermeld: “
Uw cliënt vraagt zich af waar het verschil in de opgegeven saldi op berust. In dat kader verwijs ik haar naar de eerder toegezonden boedelbeschrijving. Hieruit valt op te maken dat de liquiditeiten bestonden uit een betaalrekening en een spaarrekening. Voor de duidelijkheid heb ik nog een overzicht van de spaarrekening bijgesloten.” [106] Dit zou suggereren dat er wel een boedelbeschrijving is opgesteld, maar ik heb deze niet aangetroffen in het dossier. Evenmin overgelegd is de bijlage bij de ontwerp-R&V, waaraan wordt gerefereerd in de brief van 30 oktober 2015 van de advocaat van [eiseres] aan [verweerder 2] . [107]
derdeklacht van subonderdeel 1.1 stelt aan de orde of het afgeven aan een kringloopwinkel (al dan niet te koop) en het deponeren bij een milieustraat van een deel van de inboedel van moeder gedragingen zijn die, anders dan het hof heeft geoordeeld, (in het onderhavige geval) zuivere aanvaarding opleveren. [108]
a contrariokan worden afgeleid dat onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) in een dergelijke situatie wél sprake is van zuivere aanvaarding. Deze interpretatie van art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) vindt volgens [eiseres] steun in de literatuur, waar wordt aangenomen dat de rechtspraak over de afgifte van de inboedel en de kleding aan een kringloopwinkel en het Leger des Heils onder het nieuwe art. 4:192 lid 1 BW Pro is achterhaald (vgl. onder 3.34). Daarnaast merkt [eiseres] op dat in de literatuur als voorbeelden van zuivere aanvaarding worden genoemd het maken van afspraken met het Venduhuis of het Leger des Heils om de inboedel op te halen en te veilen dan wel te verdelen onder de behoeftigen [109] en het meegeven aan de vuilnisman van alle goederen van de nalatenschap [110] . Deze voorbeelden illustreren dat onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) niet ter zake deed wat de waarde was van de inboedel waarover werd beschikt, aldus [eiseres] . [111]
nietresulteert in zuivere aanvaarding, kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat deze gedraging onder het art. 4:192 lid 1 BW Pro
duswél tot zuivere aanvaarding leidde. Áls – bij wijze van hypothese – wordt aangenomen dat de inboedel geen enkele waarde had, heeft naar mijn mening ook onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) te gelden dat – enkel – het afvoeren van de inboedel naar kringloopwinkel en/of milieustraat geen zuivere aanvaarding oplevert. In dat geval kan niet worden aangenomen dat sprake is van het als ‘heer en meester’ beschikken over de nalatenschap. Ik verwijs naar de uiteenzettingen onder 3.18-3.20 en de feitenrechtspraak genoemd onder 3.23. In zoverre kan de klacht niet slagen.
moeder opdracht had gegeventot het bedanken van het verzorgend personeel van het verzorgingstehuis en de alfahulp, en de gestelde opname en betaling in dat kader zijn gedaan. Wellicht dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat
in dit geval(met het beschikken over de bankrekening van de erflater wordt in de regel als ‘heer en meester’ over de goederen van de nalatenschap beschikt; vgl. onder 3.15-3.19) geen sprake was van een door [verweerder 2]
zelfals ‘heer en meester’ beschikken over de goederen van de nalatenschap, omdat het beschikken (over de bankrekening) is gebeurd in opdracht van moeder. Dit lijkt me echter geen steekhoudende redenering. De enkele omstandigheid dat een handeling is verricht in opdracht van de erflater, kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een handeling die zuivere aanvaarding oplevert.
Koperen Pandat de uitzondering van art. 1095 BW Pro (oud) dat uit handelingen die zien op ‘al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft’, geen stilzwijgende (zuivere) aanvaarding mag worden afgeleid, ook onder art. 4:192 lid 1 BW Pro (oud) zijn gelding heeft behouden (zie onder 3.13). Ook hierover heeft het hof echter niets overwogen.