ECLI:NL:RBMNE:2018:2964
Rechtbank Midden-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontruiming bedrijfsruimte in kort geding wegens lopende bodemprocedure over huurbetalingen
In deze kort geding procedure vordert eiser ontruiming van een bedrijfsruimte die door gedaagde wordt gehuurd. Eiser stelt dat gedaagde de huurbetalingen heeft opgeschort zonder rechtmatige grond en dat ontruiming noodzakelijk is. Gedaagde voert verweer dat zij gerechtigd is tot opschorting vanwege gebreken aan het gehuurde, waaronder onvoldoende nutsvoorzieningen en geluidsoverlast.
De kantonrechter benadrukt dat in kort geding slechts voorlopige voorzieningen worden getroffen en dat toewijzing alleen kan plaatsvinden als er voldoende zekerheid bestaat dat in de bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Gezien de lopende bodemprocedure waarin de geschilpunten over de huurbetalingen en gebreken centraal staan, is die zekerheid er niet.
De kantonrechter constateert wel een huurachterstand, maar acht deze onvoldoende om de ontruiming te rechtvaardigen. Ook wordt gewezen op het ingrijpende en onherstelbare karakter van ontruiming, dat niet mag botsen met de uitkomst van de bodemprocedure.
Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten. Tevens worden nadere proceskostenveroordelingen uitgesproken voor kosten die na het vonnis kunnen ontstaan. Het vonnis is gewezen door kantonrechter D.A. van Steenbeek en op 29 juni 2018 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende zekerheid dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden.