ECLI:NL:RBMNE:2018:3989
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen terugvordering kosten bijstand op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilversum om de kosten van bijstand die aan [A] waren verleend, mede van eiser terug te vorderen. Het primaire besluit betrof de beëindiging van het recht op bijstand van [A] en de terugvordering van een bedrag van ruim €96.000 over de periode van 29 september 2010 tot en met 31 mei 2016.
Verweerder had op grond van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet de kosten van bijstand mede van eiser teruggevorderd, omdat eiser niet duurzaam gescheiden leefde van [A] en diens middelen bij de verlening van bijstand in aanmerking genomen hadden moeten worden. Het bezwaar van eiser leidde tot een gedeeltelijke herziening van het terug te vorderen bedrag.
De rechtbank verwees naar een gelijktijdige uitspraak in de zaak van [A] zelf (UTR 17/5083), waarin het beroep van [A] tegen de terugvordering ongegrond werd verklaard, behalve voor de proceskostenvergoeding. Op basis van die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de terugvordering mede van eiser terecht was. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van kosten van bijstand mede van eiser wordt ongegrond verklaard.