Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling
[veroordeelde] ,
OVERWEGINGEN
BESLISSING
één maand.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 6 februari 2018 een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, opgelegd bij vonnis van 18 april 2014. De veroordeelde had zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden van meldplicht en middelenverbod, ondanks toezicht en begeleiding door de reclassering.
Uit het reclasseringsadvies en de zitting bleek dat de veroordeelde na een ISD-maatregel van twee jaar opnieuw in overtreding was, onder meer door het gebruik van verdovende middelen en het niet naleven van meldplicht. De reclassering kon daardoor geen verantwoord toezicht meer houden. De verdediging betoogde dat de ISD-maatregel reeds een gedragsverbetering had bewerkstelligd en dat tenuitvoerlegging contraproductief zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de vordering tot tenuitvoerlegging terecht was, maar gezien het tijdsverloop sinds het vonnis en het ISD-traject slechts gedeeltelijk toewijsbaar was. Er was geen bewijs van nieuwe vermogensdelicten en het stoppen met middelengebruik verliep met vallen en opstaan. Daarom werd de tenuitvoerlegging bevolen voor de duur van één maand, de rest van de vordering werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand en wijst de rest van de vordering af.