Eiser kreeg twee bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtredingen van de Arbeidstijdenwet en Binnenvaartwet, waaronder varen tijdens bloktijden en onvoldoende rust. Hij voerde onder meer aan dat sprake was van dubbele bestraffing (ne bis in idem) en overmacht vanwege de gezondheidstoestand van zijn moeder.
De rechtbank oordeelde dat varen tijdens bloktijden en het niet nemen van voldoende rust als twee afzonderlijke feiten gelden, waardoor geen sprake is van dubbele bestraffing. Daarnaast werd het beroep op overmacht verworpen omdat geen acute noodtoestand bestond die de overtredingen rechtvaardigde.
Verder wees de rechtbank het verzoek tot matiging van de boetes af, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de boetes tot ernstige financiële problemen zouden leiden. Ook het argument dat de vaarregels niet praktisch uitvoerbaar zijn, werd niet gehonoreerd.
De rechtbank handhaafde de boetes van € 1.150 en € 800 en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.