Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
de burgemeester van de gemeente IJsselstein, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Inleiding
Hiertegen richt zich het bezwaar van verzoekster.
Bevoegdheid om handhavend op te treden.
Uit de uitspraak van de ABRvS van 14 maart 2018 [2] volgt verder dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs, het aan de rechthebbende op het pand is om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.
Verweerder heeft voldoende toegelicht waarom hij het doorgeladen wapen in de slaapkamer heeft betrokken en waarom dit samenhangt met handel in harddrugs. Uit de aanvullende bestuurlijke rapportage en het daarin opgenomen fotomateriaal blijkt verder dat het door verweerder in het besluit genoemde verpakkingsmateriaal, dat vaak wordt gebruikt voor drugshandel, in de berging is aangetroffen. Ter zitting heeft verweerder vervolgens uiteengezet dat hij naar aanleiding van de zienswijze van verzoekster nadere informatie heeft opgevraagd bij de politie over de vaststelling van cocaïneresidu op de weegschaal. In de aanvullende rapportage is toegelicht dat door het afschrappen van de weegschaal op locatie een indicatieve test is gedaan, waaruit is gebleken dat op de weegschaal vermoedelijk cocaïne zat. Hoewel het vreemd is dat in de bestuurlijke rapportage van 30 augustus 2018 niet is vermeld dat tijdens de huiszoeking een indicatieve test op de weegschaal is uitgevoerd, ziet de voorzieningenrechter daarin geen aanleiding om er aan te twijfelen dat tijdens de huiszoeking zo’n test daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te twijfelen aan de uitkomst van die test.
De combinatie van de aangetroffen spullen maakt, zoals verweerder terecht heeft overwogen, extra aannemelijk dat sprake is van drugshandel vanuit de woning.
Dit maakt evenwel niet dat verweerder niet bevoegd zou zijn om tot sluiting van de woning over te gaan. Alleen het aanwezig zijn van een handelshoeveelheid harddrugs schept, behalve in de onder rechtsoverweging 5 beschreven situatie, namelijk al de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang toe te passen, oftewel te besluiten tot sluiting van de woning. De omstandigheid dat voor [A] de nadruk van zijn criminele activiteiten misschien niet heeft gelegen op drugshandel, is wat hier ook van zij, geen reden om aan te nemen dat van drugshandel dus geen sprake zou zijn geweest. Verweerder heeft met de bestuurlijke rapportages, met daarin de vermelding wat in de woning is aangetroffen, voldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan (ook) wel sprake is geweest in dit geval.
Evenredigheid van de woningsluiting
- het waarborgen van de veiligheid en gezondheid van omwonenden, passanten en derden;
- het voorkomen van herhaling van de ernstige verstoring van de openbare orde;
- het afgegeven van een signaal dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn;
- het verbreken van de relatie van de woning met het criminele milieu en de handel;
- alsmede het voorkomen van een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat.
De omstandigheid dat [A] niet meer in de woning woont, is onvoldoende om de veiligheid te garanderen, aldus verweerder. Er is geen garantie dat [A] zijn moeder niet zal bezoeken en bovendien is een uitschrijving uit de woning niet zichtbaar in het criminele circuit en neemt dit de dreiging rond de woning dus niet weg. Verweerder heeft de door verzoekster aangedragen alternatieve maatregelen beoordeeld en daarbij vastgesteld dat, zo al voor sommige voorstellen een wettelijke basis gevonden zou kunnen worden, met deze maatregelen de veiligheid rond de woning niet voldoende kan worden gewaarborgd.
Verzoekster heeft in bezwaar gedetailleerdere informatie gegeven over haar medische situatie en ziet hierin aanleiding om van de woningsluiting af te zien. In reactie hierop heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat deze informatie niet maakt dat hij in bezwaar de woningsluiting niet zal voortzetten. De voorzieningenrechter ziet in de medische informatie vooralsnog ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder de woningsluiting ongedaan zal moeten maken, omdat uit die informatie niet blijkt dat verzoekster vanwege medische problemen is aangewezen op deze woning. Verweerder heeft eveneens in voldoende mate aandacht gegeven aan de door verzoekster aangedragen alternatieven en heeft deze vanwege de gebrekkige haalbaarheid en niet aflatende veiligheidsrisico’s mogen afwijzen.
Conclusie voor de voorlopige voorziening
Aan de kant van verweerder speelt het tegengaan van drugscriminaliteit en het voorkomen van veiligheidsrisico’s rondom de woning een rol om geen schorsende werking te geven aan het besluit. Daar staat voor verzoekster tegenover haar wens om tijdens de bezwaarprocedure in de woning te kunnen blijven wonen. De voorzieningenrechter ziet, vooral in het licht van het hiervoor gegeven rechtmatigheidsoordeel, in de belangen van verzoekster geen aanleiding het primaire besluit te schorsen of een andere voorlopige voorziening te treffen.