AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beslissing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid afgewezen
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die haar strafzaak behandelde, omdat zij geen vertrouwen meer had in diens onpartijdigheid en meer tijd nodig had voor de voorbereiding. De rechter had een eerder verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 SvPro en artikel 6 EVRMPro, waarbij onpartijdigheid van de rechter wordt vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aannemelijk maken. Er werden geen feiten of omstandigheden gevonden die duiden op persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster.
De kamer oordeelde dat een negatieve procesbeslissing, zoals het afwijzen van een verzoek tot aanhouding, niet zonder meer een grond voor wraking vormt, tenzij deze onbegrijpelijk is. Dit was niet het geval, mede omdat de dagvaarding tijdig was uitgereikt en de rechter een andere aangehouden zaak zou behandelen.
Verder concludeerde de kamer dat verzoekster het wrakingsmiddel gebruikte om uitstel te verkrijgen. Daarom werd het verzoek tot wraking ongegrond verklaard en werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoekster in de betreffende zaken niet in behandeling worden genomen om misbruik te voorkomen.
De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing wegens het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek van verzoekster tegen de rechter is ongegrond verklaard en toekomstige wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer/rekestnummer: 453689 / HA RK 18-23
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
23 februari 2018
op het verzoek in de zin van artikel 512 vanPro het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoekster),
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
een e-mailbericht van verzoekster van 23 januari 2018 om 11.55 uur waarin verzoekster een verzoek tot wraking heeft ingediend;
een e-mailbericht van verzoekster van 23 januari 2018 om 13:49 uur met een nadere reactie;
een schriftelijke reactie van mr. K.G. van de Streek op het wrakingsverzoek.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 9 februari 2018 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling is verzoekster verschenen. Mr. K.G. van de Streek is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.
2.Het wrakingsverzoek en het verweer
2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. K.G. van de Streek (verder te noemen: de rechter), in de zaak met het parketnummer 16-243303-17.
2.2.
Verzoekster heeft – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan haar wrakingsverzoek. Zij heeft aanhouding verzocht van de behandeling van haar strafzaak door de politierechter in de zaak met parketnummer 16-243303-17 omdat zij meer tijd nodig heeft om zich op de zaak voor te bereiden. Dit verzoek is door de rechter afgewezen. Bij de behandeling heeft verzoekster naar voren gebracht dat zij geen vertrouwen meer heeft in de rechter.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak op de politierechterzitting van 24 januari 2018 is afgewezen nu op dezelfde zitting ook een vordering tenuitvoerlegging bijzondere voorwaarden zou worden behandeld en deze al twee keer was aangehouden. Eénmaal wegens een eerdere wraking en daarna op een door hem gehonoreerd verzoek tot aanhouding voor de zitting van 21 november 2017. Bij het laatste verzoek tot aanhouding vroeg zij uitstel tot begin januari. De beslissing om het aanhoudingsverzoek voor de zitting van 24 januari 2018 niet toe te wijzen getuigt niet van vooringenomenheid jegens verzoekster.
3.De beoordeling
3.1.
Artikel 512 SvPro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 vanPro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
3.3.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke
omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster. Vervolgens moet onderzocht worden of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoekster bestaande vrees dat er sprake is van partijdigheid - objectief - gerechtvaardigd is.
3.5.
De rechtbank overweegt dat de beslissing om de behandeling van een zaak (op verzoek) aan te houden, een processuele beslissing is. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking. Alleen indien die beslissing om de zaak toch door te laten gaan dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Van een dergelijke onbegrijpelijkheid is in dit geval geen sprake. In de zaak is de dagvaarding immers al op 1 december 2017 aan verzoekster uitgereikt en daarnaast zou de rechter de zaak behandelen op het moment dat hij een andere, aangehouden, bij verzoekster bekende, zaak wederom zou behandelen.
3.6.
Opmerking verdient nog het volgende. Verzoekster heeft in haar wrakingsverzoek aangevoerd dat zij de rechter wraakt nu zij nog niet klaar is met de voorbereiding van de strafzaak. Ook dit onderstreept dat van een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bij de rechter geenszins sprake is en dat [verzoekster] het middel van wraking gebruikt om uitstel van de zitting te bewerkstelligen.
3.7.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.
3.8.
De wrakingskamer ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 515, vierde lid, Sv. De reden hiervan is dat verzoekster de rechter eerder heeft gewraakt in de naast de strafzaak aanhangige vordering tot tenuitvoerlegging. Het is voldoende aannemelijk dat verzoekster mogelijk opnieuw wrakingsverzoeken in zal dienen, met als doel het vertragen van de behandeling van haar strafzaak en/of de vordering tot tenuitvoerlegging. In het belang van de voortgang van de procedures met parketnummer 16-243303-17 (strafzaak) en 16-218893-16 (vordering tot tenuitvoerlegging) moet voorkomen worden dat verzoekster door een hernieuwd wrakingsverzoek misbruik maakt van het wrakingsmiddel. Een volgend wrakingsverzoek van verzoekster, betrekking hebbend op de procedures met de hier bovengenoemde parketnummers zal dan ook niet in behandeling worden genomen.
4.De beslissing
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, de andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf-, familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure met parketnummer 16-243303-17 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
4.4.
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de zaken met parketnummers 16-243303-17 en 16-218893-16 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. G.J.J.M. Essink en
A. van Dijk, als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.