Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[adres] [woonplaats] ,
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
Ik durf mij ook niet meer te laten zien op de [adres] . [3]
door [A] ben ik meegegaan, anders had je nou achter de deur gehangen in de Koepel in Breda ofzo.” [9]
-dat [slachtoffer 2] zijn contactpersoon is; [10]
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
Het was aangeefster bekend dat verdachte een bijl in zijn woning had, waarmee hij in die periode de inboedel kort en klein had geslagen. Ook had zijn begeleidster op de dag van de bedreiging gezien dat hij een groot vleesmes op de afzuigkap had liggen. Daarnaast heeft verdachte bedreigende brieven aan aangeefster geschreven. In deze brieven gaf hij onder meer aan dat hij haar mee zou nemen naar de Ardennen om haar te vermoorden, en dat hij alleen nog maar bezig was met de dood van zichzelf en van anderen. Verdachte deed de bedreigingen in een periode dat hij in verband met zijn psychische gesteldheid al meerdere keren door de crisisdienst was bezocht.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van de bedreigingen en de context waarin deze zijn gedaan, zoals dat tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Hij ageerde vanuit zijn passief agressieve coping tegen autoriteit met het schrijven van brieven en probeerde op zijn manier de zaak aanhangig te maken. In deze periode had hij meer klachten van spanningen ten gevolge van slaapstoornissen maar ook door de innerlijke spanningen veroorzaakt door zijn onvrede. Door extra inname van medicatie verloor hij zijn zelfcontrole bij een reeds gebrekkige emotiehantering. Dit resulteerde in een impulsieve woede-uitbarsting met verbale dreigementen. Verdachte was zich daarbij ten dele bewust van zijn gedragingen en de impact daarvan.