Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder
Procesverloop
.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een woonzorgcentrum centraal, gelegen aan een adres in een plaatsnaam, met een waardepeildatum van 1 januari 2016. De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de waarde vastgesteld op €4.913.000,- en deze waarde is gehandhaafd na bezwaar. Eiseres betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €3.900.000,- voor, met name vanwege vermeende onvoldoende correctie voor technische en functionele veroudering.
De rechtbank stelt vast dat de gecorrigeerde vervangingswaarde een geschikte waarderingsmethode is. Verweerder heeft een taxatierapport overgelegd waarin de vervangingswaarde op €5.964.000,- is getaxeerd. De discussie spitst zich toe op de aanvangsdatum van de afschrijving van de ruwbouw en de toepassing van correcties voor functionele veroudering. De rechtbank volgt eiseres in het standpunt dat het bouwjaar voor de ruwbouw 1971 moet zijn, wat leidt tot een extra afschrijving van circa €662.500,-, maar dit brengt de waarde nog steeds boven de vastgestelde waarde.
De rechtbank oordeelt dat de plannen voor transformatie en renovatie in 2019 nog niet concreet genoeg waren op de waardepeildatum om een afschrijving op afbouw en installaties toe te passen. Daarnaast is geen aanleiding om een correctie voor functionele veroudering toe te passen, omdat het object op de waardepeildatum volledig verhuurd was en geen aantoonbare beperkingen kende in het gebruiksgenot ten opzichte van vergelijkbare objecten.
Daarmee heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van het woonzorgcentrum wordt ongegrond verklaard.