ECLI:NL:RBMNE:2019:1253

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 maart 2019
Publicatiedatum
26 maart 2019
Zaaknummer
C/16/472088 / FA RK 18-7121
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BOPZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorwaardelijke machtiging wegens remissie stoornis en afwezigheid gevaar

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging voor betrokkene. Er werd een deskundigenonderzoek uitgevoerd door een NIFP-psychiater, waarbij werd onderzocht of sprake was van een stoornis van de geestvermogens, of er gevaar bestond en of er een doelmatige behandeling mogelijk was.

Uit de second opinion van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie bleek dat de stoornis in remissie is, wat betekent dat er geen manifeste kenmerken van de stoornis aanwezig zijn. Ook werd vastgesteld dat er geen gevaar meer is. De verpleegkundig specialist bevestigde deze bevindingen en constateerde geen symptomen van de stoornis.

De raadsvrouw van betrokkene concludeerde eveneens tot afwijzing van het verzoek. De rechtbank achtte zich voldoende voorgelicht door de mondelinge behandeling en de overgelegde stukken. Gezien het ontbreken van een actuele stoornis en gevaar, voldoet betrokkene niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af. De beslissing werd genomen tijdens een openbare terechtzitting op 15 maart 2019 en schriftelijk uitgesproken op 25 maart 2019.

Uitkomst: Het verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging is afgewezen wegens remissie van de stoornis en afwezigheid van gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/472088 / FA RK 18-7121
BOPZ-nummer: 1104443
Voorwaardelijke machtiging

Beschikking van 15 maart 2019

op het verzoek van de officier van justitie van 11 december 2018 tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging met betrekking tot:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1966,
wonende te [adres] , [woonplaats] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder de op 30 november 2018 ondertekende en met redenen omklede verklaring als bedoeld in artikel 14a, vierde lid van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ), het behandelingsplan als bedoeld in artikel 14a, vijfde lid van de Wet BOPZ en de second opinion van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) van 13 maart 2019.
Bij beschikking van 15 januari 2019 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek aangehouden en een NIFP-psychiater tot deskundige benoemd om een deskundigenonderzoek uit te voeren en onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- is er sprake van een stoornis van de geestvermogens en zo ja, welke en op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten is tot dat oordeel gekomen?
- er sprake van een gevaar dat een stoornis van de geestvermogens doet veroorzaken?
- is er met andere medicatie dan de huidige medicatie van de betrokkene ook een doelmatige behandeling van de betrokkene mogelijk?
De mondelinge behandeling is voortgezet op 15 maart 2019.
Daarbij heeft de rechtbank gehoord:
- de betrokkene;
- mr. M. Veldman, raadsvrouw van betrokkene;
- de heer [A] , verpleegkundig specialist;
- de heer [B] , case-manager.
Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.
Betrokkene is gelukkiger, nu hij geen medicatie inneemt. Betrokkene had al geruime tijd veel last van bijwerkingen. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Uit de second opinion blijkt dat de stoornis in remissie is. Ook is er geen gevaar meer.
De verpleegkundig specialist kan zich vinden in de second opinion. Hij heeft ook geen symptomen van de stoornis geconstateerd. Enig risico op een terugkeer van de symptomen zal er altijd blijven, maar hierover valt niets met zekerheid te zeggen. Mede daarom is het belangrijk om in contact te blijven maar dat is ook het geval.
De rechtbank concludeert op basis van het deskundigenonderzoek dat de stoornis in remissie is. Dat betekent dat er in het verleden een stoornis is geweest, maar dat er nu geen manifeste kenmerken van deze stoornis aanwezig zijn. Ook is er in deze toestand geen gevaar.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek afwijzen, nu er niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging.
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. T. Dopheide, rechter, in bijzijn van T.A.H. van der Wijst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2019 en schriftelijk uitgesproken op 25 maart 2019.