ECLI:NL:RBMNE:2019:1413
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet en toekenning gefixeerde schadevergoeding
De kantonrechter Midden-Nederland behandelde twee samenhangende zaken betreffende het ontslag op staande voet van een werknemer bij een besloten vennootschap. De werknemer was op 3 oktober 2018 op staande voet ontslagen wegens het meenemen van vijf pakken geitenkaas zonder geldige reden. De werknemer verzocht de vernietiging van het ontslag, maar diende dit verzoek pas op 15 januari 2019 in, na het verstrijken van de wettelijke vervaltermijn van twee maanden.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer niet ontvankelijk was in zijn verzoek tot vernietiging omdat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld die het overschrijden van de vervaltermijn rechtvaardigden. Hierdoor werd het ontslag op staande voet onaantastbaar en stond vast dat er een dringende reden was voor het ontslag.
In een tweede procedure verzocht de werkgever toekenning van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW Pro wegens het ontslag op staande voet. De kantonrechter stelde vast dat de werknemer door opzet of schuld de dringende reden had veroorzaakt en berekende de schadevergoeding over de juiste opzegtermijn van één maand, in plaats van de door de werkgever berekende drie maanden. De werknemer werd veroordeeld tot betaling van € 4.681,57 bruto plus wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet niet-ontvankelijk; werknemer veroordeeld tot betaling gefixeerde schadevergoeding.