ECLI:NL:RBMNE:2019:2195
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking rechter in omgangszaak afgewezen wegens gebrek aan belang en ongegrondheid
In deze wrakingsprocedure werd een verzoek tot wraking van de behandelend rechter in een omgangszaak tussen een moeder en de vader van haar dochter behandeld. De verzoeksters, moeder en oma, stelden dat de rechter partijdig zou zijn vanwege eerdere uitspraken, een kwetsende uitlating over de moeder en de planning van een zitting waarop de rechter ook zou zitten.
De wrakingskamer oordeelde dat de oma als informant geen partij was en daarom niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek. De moeder was wel ontvankelijk, maar de kamer vond geen objectieve gronden voor het vermoeden van vooringenomenheid. Het eerdere behandelen van soortgelijke zaken en de uitlating over de 'ziekelijke' angst van de moeder werden in context beoordeeld en niet als bewijs van partijdigheid gezien.
De rechterlijke planning van een volgende zitting zonder overleg met de rechter werd eveneens niet als vooringenomenheid aangemerkt. De wrakingskamer verklaarde het verzoek van de moeder ongegrond en bepaalde dat de onderliggende procedure onverminderd wordt voortgezet.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek van de informant is niet-ontvankelijk verklaard en dat van de moeder ongegrond, waarna de procedure wordt voortgezet.