Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
op 14 maart 2019 op de [adres] te [woonplaats ] (…) als verdachte [aanhield] op heterdaad ’ [4]
Rechtbank Midden-Nederland
Een 28-jarige man werd verdacht van het kraken van een pand aan de Krakelingenweg te Zeist, dat echter nog in gebruik was als oefenpand voor het arrestatieteam van de politie. De rechtbank oordeelde dat het primaire ten laste gelegde feit van kraken niet bewezen kon worden omdat het pand niet leegstond.
Subsidiair werd verdachte verdacht van wederrechtelijk binnendringen en vertoeven (huisvredebreuk). Hoewel bewezen werd verklaard dat verdachte op 14 maart 2019 samen met anderen wederrechtelijk in het pand en op het erf aanwezig was, ontbrak een essentieel bestanddeel in de tenlastelegging, namelijk de vordering tot onmiddellijke verwijdering door de rechthebbende. Hierdoor kon het subsidiaire feit niet als strafbaar worden gekwalificeerd en werd verdachte daarvoor ontslagen van alle rechtsvervolging.
De verdediging voerde aan dat de acties onderdeel waren van een vreedzame demonstratie (sit-in) en dat vervolging disproportioneel was. De rechtbank oordeelde dat de beperkingen noodzakelijk waren ter bescherming van eigendomsrechten en ter voorkoming van wanordelijkheden. De officier van justitie werd ontvankelijk verklaard in de vervolging, maar de bewezenverklaring leidde niet tot strafoplegging.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering omdat geen straf of maatregel werd opgelegd. De overige acht verdachten werden eveneens ontslagen van alle rechtsvervolging wegens gebrek aan bewijs van betrokkenheid bij het binnendringen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van kraken en ontslagen van rechtsvervolging voor huisvredebreuk wegens onvolledige tenlastelegging.