ECLI:NL:RBMNE:2019:2362
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking rechter-commissaris wegens vermeende vooringenomenheid ongegrond verklaard
Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die hem op 19 oktober 2018 had voorgeleid. Verzoeker stelde dat een passage in de beslissing van de rechter-commissaris blijk gaf van vooringenomenheid, omdat deze een sterke interpretatie gaf aan tapgesprekken en daarmee de schuldvraag leek te prejudiceren.
De rechter-commissaris en de officier van justitie ontkenden de vooringenomenheid en stelden dat de motivering van de beslissing diende om het oordeel transparant te maken, zonder de rol van de zittingsrechter over te nemen. De wrakingskamer onderzocht of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd was en concludeerde dat de overwegingen in samenhang bezien niet duiden op een stellig oordeel over schuld zonder voorbehoud.
Hoewel het wrakingsverzoek niet onverwijld was ingediend, werd dit niet als belemmering gezien omdat de mededeling dat de rechter-commissaris de onderzoekshandelingen zou verrichten pas later werd gedaan. De wrakingskamer oordeelde dat de rechter-commissaris de redelijke verdenking als toetsingskader hanteerde en dat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd was.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en de strafprocedure voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is ongegrond verklaard en de strafprocedure wordt voortgezet.