ECLI:NL:RBMNE:2019:2365
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beslissing wrakingsverzoek tegen rechter inzake griffierechtprocedure toeristenvisum
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een zaak over een toeristenvisum, waarin de rechter had beslist dat verzoekster geen vrijstelling van griffierecht kon krijgen. De zitting van 18 februari 2019 ging uitsluitend over de betaling van het griffierecht, waarbij verzoekster zich onvoldoende voorbereid voelde en meende dat de rechter onterecht oordeelde over haar financiële draagkracht. Een verzoek tot herziening van deze beslissing werd door de rechter zonder motivering afgewezen.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van de Awb. Het verzoek was deels te laat ingediend, namelijk meer dan een maand na de zitting, waardoor dat deel niet-ontvankelijk werd verklaard. Voor het overige oordeelde de kamer dat de beslissing van de rechter om geen vrijstelling te verlenen een procesbeslissing is die niet snel kan worden aangevochten via wraking.
De wrakingskamer stelde dat alleen een onbegrijpelijke procesbeslissing die duidt op vooringenomenheid aanleiding kan geven tot wraking. Dit was hier niet het geval. De afwijzing van het verzoek tot herziening was eveneens niet onbegrijpelijk. Daarom werd het wrakingsverzoek voor het overige ongegrond verklaard.
De beslissing werd uitgesproken door de wrakingskamer van de Rechtbank Midden-Nederland op 24 mei 2019. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is deels niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en voor het overige ongegrond verklaard.