ECLI:NL:RBMNE:2019:2621
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- R. in’t Veld
- A. van Dijk
- J.F. Haeck
- Rechtspraak.nl
Beslissing op wrakingsverzoek tegen kantonrechter in civiele procedure
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die betrokken was bij een civiele verzoekschriftprocedure en een dagvaardingsprocedure. Het verzoek richtte zich op vermeende partijdigheid vanwege het ontbreken van motivering in het vonnis van 20 februari 2019, waarbij essentiële stellingen en bewijsaanbiedingen van verzoeker niet zouden zijn behandeld.
De wrakingskamer onderzocht het verzoek en concludeerde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend. De conclusie van antwoord in reconventie waarover het verzoeker klaagde, maakte deel uit van het griffiedossier en was ter zitting van 4 januari 2019 uitdrukkelijk genoemd. Verzoeker had daarom moeten aannemen dat de rechter dit stuk had gelezen.
De kamer oordeelde dat de vermeende vooringenomenheid onvoldoende was onderbouwd en dat het feit dat beslissingen in beide procedures niet gelijktijdig werden genomen, geen grond voor wraking vormde. De wrakingskamer verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk en bepaalde dat de procedure wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing.
Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening; procedure wordt voortgezet.