Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1. [eiser sub 1] ,
[derde-partij 1], en
[derde-partij 2], beiden te [woonplaats] , gemachtigde: mr. J.H. Hartman.
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers, omwonenden van een perceel waar twee particuliere beveiligingscamera’s op de openbare weg gericht zijn, verzochten de Autoriteit Persoonsgegevens om handhavend op te treden tegen deze camera’s. De Autoriteit wees dit verzoek af, waarna eisers bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van de Autoriteit zorgvuldig en goed gemotiveerd was. Het onderzoek ter plaatse toonde aan dat de camera’s slechts een klein deel van de openbare weg filmen en niet meer personen in beeld brengen dan noodzakelijk is voor de bescherming van de eigendommen van derde-partijen. De rechtbank vond dat de belangen van de eigendomseigenaren zwaarder wegen dan het privacybelang van de omwonenden, die slechts vluchtig in beeld komen.
Hoewel er een procedureel gebrek was omdat het verslag van het onderzoek niet vooraf aan eisers was toegezonden, was dit gebrek niet ernstig genoeg om het besluit te vernietigen. De rechtbank passeerde dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om niet handhavend op te treden tegen de particuliere beveiligingscamera’s is ongegrond verklaard.