Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen
[eiseres] te [vestigingsplaats] , eiseres
de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerster,
de Nederlandse Zorgautoriteit, te Utrecht, (gemachtigden: mr. R.N. van Donk, mr. I. Van Houten en drs. I. Seinen)
het Centraal Planbureau, te Den Haag,
en de Staat der Nederlanden, (de Minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank heeft kennis genomen van deze stukken.
Tot 2014 werd algemeen aangenomen dat de gegevens in het DIS geen persoonsgegevens waren, omdat zij door een dubbele versleuteling geanonimiseerd waren. Volledig geanonimiseerde gegevens, dat wil zeggen niet meer tot de persoon te herleiden, zijn namelijk niet aan te merken als persoonsgegevens en daarop is de tot 25 mei 2018 geldende Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) dan ook niet van toepassing. Dit standpunt is gewijzigd toen de Artikel 29-Werkgroep van Europese privacytoezichthouders in 2014 tot de conclusie kwam dat de gegevens in het DIS toch niet volkomen anoniem waren, omdat de versleuteling van die gegevens ongedaan kon worden gemaakt. Dit betekende dat de verwerking van de gegevens in het DIS, anders dan steeds was aangenomen, wèl onder de reikwijdte van de Wbp viel.
De tussenuitspraak
Standpunt van verweerster
uitgangspunt van het DIS was dat er geen persoonsgegevens verwerkt zouden worden. De situatie die nu is ontstaan, waarbij dus wel met medische persoonsgegevens wordt gewerkt, staat haaks op en is onverenigbaar met dit uitgangspunt. Verweerster heeft zich volgens eiseres verder ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding door de NZa; die is er volgens eiseres namelijk wel. Volgens eiseres wordt onvoldoende getoetst of het verwerken van medische persoonsgegevens door de NZa en de verstrekking daarvan aan derden, voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit, in relatie tot welbepaalde doelstellingen zoals bedoeld in artikel 7 van Pro de Wbp. Volgens eiseres zijn de door de NZa genoemde wettelijke doelstellingen veel te breed geformuleerd om op basis daarvan de verwerking van medische persoonsgegevens te rechtvaardigen. De doelbinding is daarmee volgens eiseres dus niet in orde. De meeste instanties hebben volgens eiseres de medische persoonsgegevens ook helemaal niet nodig om beleidsondersteunend onderzoek te doen en er zou kunnen worden volstaan met geaggregeerde of anonieme gegevens. Ook pleit eiseres ervoor dat de gegevens niet meer fysiek worden verstrekt aan derden, maar dat derden eventueel zoekopdrachten in de DIS database zelf kunnen doen en de resultaten daarvan kunnen gebruiken voor hun onderzoek. Eiseres wijst als voorbeeld op de werkwijze van het CBS. In veel gevallen kunnen derden zich overigens ook wenden tot het CBS in plaats van tot de Nza om de benodigde data te verkrijgen en er zou vaak ook kunnen worden volstaan met data uit Vektis, de database die wordt bijgehouden door de zorgverzekeraars. Eiseres vindt dat verweerster te weinig oog heeft gehad voor de vraag of het beleidsondersteunend onderzoek, waarvoor verzocht wordt om medische persoonsgegevens, wel past bij de wettelijke taak van de aanvrager en of dat onderzoek wel noodzakelijk is en of er niet op andere manieren onderzoek kan worden gedaan.
Bespreking van het beroepStand van zaken na de tussenuitspraak
Aanvullende motivering of nieuw besluit?
Toetsing ex-nunc of ex-tunc?
De rechtbank ziet, ondanks dat het hier om een verzoek om handhaving gaat, in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de heroverweging in bezwaar plaatsvindt naar de stand van zaken op het moment van de beslissing op bezwaar. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat het handhavingsverzoek van eiseres zeer ruim geformuleerd is en het, anders dan in veel andere handhavingssituaties, niet om één concrete eenmalige overtreding gaat die naar het verleden beoordeeld zou kunnen worden. Verweerster heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak vervolgens zelf haar onderzoek verruimd en heeft zich gericht op feiten en omstandigheden die dateren van na het handhavingsverzoek. Verweerster heeft de heroverweging zoals neergelegd in het bestreden besluit 2 dus op goede gronden niet gedaan naar het moment waarop het handhavingsverzoek is gedaan. De rechtbank toetst zoals gebruikelijk naar het moment waarop bestreden besluit 2 is genomen, te weten 9 januari 2018.
Beoordelingskader
Verweerster heeft toegelicht dat de NZa een wettelijke taak heeft die is neergelegd in onder meer artikel 16, aanhef en onder a, van de Wmg. De NZa is volgens dit artikel belast met marktoezicht, marktontwikkeling en tarief- en prestatieregulering op het terrein van de gezondheidszorg. Verweerster heeft verder verwezen naar de artikelen 60 tot en met 71 van de Wmg en naar artikel 3 van Pro de Regeling, als verdere basis voor de gegevensverwerking. Verweerster zich op het standpunt gesteld dat NZa gegevens in DIS verzamelt voor de verschillende doelen die voortvloeien uit haar wettelijke taak, zoals die nader omschreven zijn in de Wmg. Als voorbeelden daarvan zijn onder andere genoemd het onderhoud van prestatiebeschrijvingen en tarieven van de medisch specialistische zorg, de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg en daarmee verband houdende kostenontwikkelingen (artikelen 50 tot en met 56b van de Wmg) en analyses die nodig zijn voor de monitoring van kostenontwikkelingen (artikel 32 van Pro de Wmg).
In het bestreden besluit 2 heeft verweerster het belang benadrukt van het vaste pseudoniem dat via de versleuteling van de medische persoonsgegevens per verzekerde wordt verkregen. Pas als dit vaste pseudoniem wordt gekoppeld aan de concrete dbc’s die de NZa van de verzekeraars ontvangt, kan zij een compleet behandeltraject van een persoon in beeld krijgen, waarmee zij de aan haar opgedragen publiekrechtelijke taken, zoals hiervoor genoemd, naar behoren kan uitvoeren. Ter uitvoering van de aan haar opgedragen taken voert NZa onder andere verschillende onderzoeken uit.
Als voorbeeld van een onderzoek dat hoort bij de prestatie- en tariefregulering heeft de NZa gewezen op het onderzoek dat is gedaan naar de kosten van GGZ-jeugdzorg na de overheveling van deze vorm van zorg naar de verschillende gemeenten. Per postcodegebied is onderzoek gedaan naar patiënten die jonger zijn dan 18 jaar en GGZ-zorg hebben ontvangen. Aan de hand van de verschillende dbc’s kon het effect worden berekend van de overheveling op de door NZa vast te stellen maximumtarieven en kon de Minister van VWS worden geadviseerd over het naar de gemeenten over te hevelen bedrag voor zorg. Een ander voorbeeld van onderzoek dat de NZa heeft uitgevoerd binnen de haar opgedragen taak van tarief- en prestatieregulering is een onderzoek naar transplantatiezorg, waarbij specifiek onderzoek is gedaan naar het verschil in kosten tussen zorgproducten voor kinderen en volwassenen. In het kader van haar taak om de marktontwikkelingen te monitoren, voert NZa marktscans uit voor het evalueren van het zorgstelsel en van bepaald ingezet beleid. Hierbij maakt zij gebruik van gegevens uit het DIS, waarbij zij bij de te maken scans alle vormen van zorg (zowel basis- als gespecialiseerde zorg) betrekt om inzicht te verkrijgen in de ontwikkelingen in de zorg. Ter uitvoering van haar toezichthoudende en handhavende taken voert NZa onderzoeken uit naar onder meer het declaratiegedrag bij zorginstellingen. Zo kan bijvoorbeeld worden gecontroleerd of een zorginstelling niet meer dan het maximum aantal te vergoeden behandelingen per patiënt declareert en of de gemiddelde behandelduur overeenkomt met de ingediende declaraties.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de doeleinden waarvoor NZa de medische persoonsgegevens verzamelt in de Wmg welbepaald en uitdrukkelijk zijn omschreven als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wbp. De voorbeelden illustreren dat het verzamelen van deze gegeven nodig is om de wettelijke taak van de Nza uit te voeren. Het verzamelen van de gegevens, een vorm van gegevensverwerking, is in overeenstemming met artikel 8 van Pro de Wbp omdat het verzamelen van de gegevens door de NZa in DIS noodzakelijk is voor de goede vervulling van haar publiekrechtelijke taak.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de doelen te breed zijn omschreven om als welbepaald doel te kunnen worden aangemerkt en dat de onderzoeken die NZa vervolgens met de medische persoonsgegevens uitvoert onrechtmatig zijn. Anders dan eiseres wil, kan namelijk niet vooraf al precies worden vastgelegd welke onderzoek de NZa in het kader van haar wettelijke taken zal gaan uitvoeren. Het doelbindingsbeginsel strekt ook niet zo ver dat dit vereist is. Het gaat er om dat de doelen waarvoor de medische persoonsgegevens worden gebruikt, passen binnen de wettelijke taak van de NZa en de instanties aan wie zij deze gegevens verder verstrekt. Het doelbindingsbeginsel van artikel 7 van Pro de Wbp is, anders dan eiseres betoogt, dan ook niet geschonden. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
Verweerster heeft in het bestreden besluit 2 kunnen concluderen dat de NZa niet in strijd met het noodzakelijkheidsbeginsel handelt. De beroepsgrond van eiseres faalt dan ook.
Voorgestelde alternatieven
Onderzoek naar privaatrechtelijke verstrekkingen
Verweerster heeft ervoor gekozen om naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eiseres onderzoek te doen naar de verstrekkingen die plaatsvinden op basis van de Wmg. Dit blijkt uit bijlage 3 van de Definitieve bevindingen van het onderzoeksverslag van 13 april 2016. De rechtbank vindt het belangrijk om te wijzen op de beleidsruimte die verweerster toekomt bij de keuze om al dan niet onderzoek in te stellen. De keuze om de contractuele leveringen in de periode tussen mei 2015 en november/december 2015 buiten de reikwijdte van het onderzoek te houden, vindt de rechtbank, gelet op de formulering van het handhavingsverzoek van eiseres en de beleidsruimte die verweerster op dit punt heeft, een aanvaardbare keuze.
Dat eiseres met haar handhavingsverzoek ook heeft beoogd om al eerder verstrekte medische persoonsgegevens te laten terugsturen of te laten vernietigen, blijkt niet uit dat verzoek en ook niet uit latere reacties van eiseres op de besluiten van verweerster. Zij heeft dit pas tijdens de tweede zitting naar voren gebracht. Verweerster heeft hiermee dus geen rekening hoeven houden en heeft binnen de haar toekomende beleidsruimte de keuze mogen maken om zich alleen te richten op de verstrekkingen die op basis van de Wmg plaatsvinden en plaatsvonden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Herstel gebrek: per taak van de NZa onderzoeken en motiveren of daarvoor noodzakelijk is dat medische persoonsgegevens worden verzameld en verwerkt en niet kan worden volstaan met geanonimiseerde gegevens
Eiseres vindt de verstrekkingen aan deze instanties niet noodzakelijk en zij noemt de verstrekkingen die de NZa verricht opnieuw een ‘blanco cheque’. De rechtbank volgt haar niet in dit standpunt. Eiseres gaat eraan voorbij dat de NZa de noodzakelijkheid van de gegevensverstrekking per geval beoordeelt en dat zij daarbij expliciet de vraag betrekt of met minder gegevens kan worden volstaan. De rechtbank wijst nogmaals op vraag I4 en I4a van de PIA-beoordeling. Op de zitting heeft de NZa toegelicht dat de PIA-beoordeling ook zeker tot gevolg kan hebben dat minder gegevens worden verstrekt dan waar om is gevraagd, waarbij gedacht kan worden aan het verstrekken van minder specifieke gegevens over de leeftijd van personen of hun woonplaats, als dat voor een onderzoek niet noodzakelijk is. De NZa heeft hiervan ter zitting voorbeelden gegeven.
Eiseres heeft ook vragen gesteld over de voorzienbaarheid van de gegevensverstrekking. Deze komt echter ook in de PIA-beoordeling expliciet tot uitdrukking. Onder vraag V worden verschillende vragen gesteld over de transparantie en rechten van de betrokkenen.
Verweerster heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzoek gedaan naar de verstrekking van de gegevens van de NZa aan de ZiNL, de ACM en het CBS en heeft in het bestreden besluit 2 voldoende gemotiveerd dat deze verstrekkingen van de medische persoonsgegevens niet in strijd zijn met de artikelen 7 en 8 van de Wbp. Zij heeft het op dat punt geconstateerde gebrek in de tussenuitspraak hersteld.
Herstel gebreken: onderzoeken en motiveren waarom er geen last onder dwangsom of andere handhavingsinstrumenten zijn ingezet in de richting van de NZa vanwege de onrechtmatige vestrekking van medische persoonsgegevens aan de Minister van VWS en het CPB en in de richting van de Minister van VWS en het CPB met als doel om de onrechtmatig verstrekte gegevens terug te laten sturen of te vernietigen
Dit geldt eveneens voor de onrechtmatige verstrekking van gegevens aan de Minister van VWS ten behoeven van onderzoek naar hoofdbehandelaarschap in de GGZ. Verweerster heeft toegelicht dat deze gegevens inmiddels zijn vernietigd en zij heeft in voldoende mate gemotiveerd waarom zij geen handhavingsinstrumenten heeft ingezet tegen deze onrechtmatige gegevensverstrekking in het verleden. Ook hiertegen heeft eiseres geen nadere beroepsgronden gericht.
Verweerster heeft in haar onderzoek vervolgens vastgesteld dat, anders dan zij in het bestreden besluit 1 heeft aangenomen, niet alle verstrekkingen van de NZa aan de Minister van VWS onrechtmatig zijn geweest. Zij ziet in de artikelen artikel 32, vierde lid, aanhef en onder c, in samenhang bezien met de artikelen 88 en 89 van de Zvw alsnog voldoende basis voor het verstrekken van medische persoonsgegevens ten behoeve van het vaststellen van de risicovereveningsbijdrage. Deze verstrekkingen zijn volgens verweerster dus rechtmatig geweest en daarom is er geen grondslag voor handhaving.
Overschrijding van de redelijke termijn
De overschrijding van de redelijke termijn in de periode ná 9 januari 2019, een periode van 6,5 maand, moet dan ook worden toegerekend aan de rechterlijke fase. De overige overschrijding wordt volgens vaste rechtspraak toegerekend aan het bestuursorgaan. Dat wil zeggen dat aan verweerster de overige 11,5 maand termijnoverschrijding wordt toegerekend, omdat dit deel van de langere behandelduur bij de rechtbank is veroorzaakt door de nieuwe besluitvorming van verweerster.
Dit betekent dat 11,5/18 deel moet worden toegerekend aan verweerster en 6,5/18 deel aan de rechtbank. Verweerster zal daarom tot betaling van € 958,- (11,5/18 deel van € 1.500,-) worden veroordeeld en de Staat zal tot betaling van € 542,- (6,5/18 deel van € 1.500,-) worden veroordeeld.
Conclusie
De rechtbank ziet geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden omdat verweerster op precies ditzelfde punt al eerder de mogelijkheid heeft gehad om het gebrek te herstellen en dat dus niet is gelukt. Verweerster moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. Dat nieuwe besluit hoeft dan alleen te gaan over het gedeelte van het bestreden besluit 2 dat vernietigd is, namelijk de gegevensverstrekking aan de Minister van VWS. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juni 2016 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 9 januari 2018 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 9 januari 2018 voor zover verweerster daarin niet heeft onderzocht en gemotiveerd, waarom zij geen handhavingsinstrumenten heeft ingezet in de richting van de NZa vanwege onrechtmatige gegevensverstrekking aan de Minister van VWS en voor zover verweerster niet heeft onderzocht en gemotiveerd waarom zij geen handhavingsinstrumenten heeft ingezet in de richting van de Minister van VWS met als doel om de onrechtmatig verstrekte gegevens terug te laten sturen of te vernietigen;
- draagt verweerster op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- veroordeelt verweerster tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 958,- (zegge negenhonderd achtenvijftig euro);
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 542,- (zegge vijfhonderd tweeënveertig euro);
Rechtsmiddel
[…]
De zorgautoriteit is belast met:
a. markttoezicht, marktontwikkeling en tarief- en prestatieregulering, op het terrein van de gezondheidszorg;
[…].
[…]
[…]