ECLI:NL:RBMNE:2019:3704
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- K.J. Veenstra
- H.E. Spruit
- V. Kool
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ne bis in idem-beginsel bij vervolging voor belaging naast contactverbod
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het hoger beroep van de officier van justitie tegen de afwijzing van een vordering tot inbewaringstelling van verdachte wegens belaging. Verdachte was eerder veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een contactverbod voor twee jaar. Na overtreding van dit verbod werd tweemaal vervangende hechtenis opgelegd.
De rechter-commissaris had de vordering tot inbewaringstelling afgewezen wegens schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat het contactverbod hetzelfde belang zou dienen als de strafrechtelijke vervolging. De officier van justitie stelde dat het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing is omdat het gaat om een nieuwe strafrechtelijke procedure met een ander verwijt, namelijk belaging.
De rechtbank overwoog dat de vordering tot inbewaringstelling een nieuwe strafrechtelijke procedure betreft en dat de verdenking van belaging verschilt van de overtreding van het contactverbod. Hierdoor is geen sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel. De rechtbank achtte de verdenking zwaarwegend en vond voldoende gronden voor voorlopige hechtenis voor 14 dagen. Het verzoek tot aanhouding werd afgewezen, maar de bewaring werd bevolen.
De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is gelet op de maatschappelijke veiligheid en het gedrag van verdachte.
Uitkomst: De rechtbank beveelt voorlopige hechtenis van verdachte voor 14 dagen wegens verdenking van belaging, zonder schending van het ne bis in idem-beginsel.