Eiser heeft twee aanvragen voor bijzondere bijstand ingediend, één voor een tegemoetkoming in kosten van sociaal-culturele activiteiten en één voor vergoeding van het eigen risico zorgverzekering 2019. Beide aanvragen werden door verweerder afgewezen wegens een te hoog inkomen, waarbij bij de draagkrachtberekening het inkomen zonder rekening te houden met loonbeslag werd genomen.
Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland. De kern van het geschil was of verweerder terecht bij de draagkrachtberekening het inkomen zonder loonbeslag als uitgangspunt had genomen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 februari 2017 had gevolgd, omdat deze uitspraak niet bedoeld is om af te wijken van de vaste rechtspraak van de CRvB uit 2006. Volgens deze vaste lijn kan over het deel van het inkomen waarop loonbeslag is gelegd niet worden gezegd dat eiser daarover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten en droeg verweerder op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser.