ECLI:NL:RBMNE:2019:4621
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen besluit huurtoeslag wegens vermogen medebewoner
Eiser ontving in 2017 voorschotten huurtoeslag op basis van een geschat gezamenlijk toetsingsinkomen. Later stelde de Belastingdienst het definitieve inkomen vast, waarbij het vermogen van de medebewoner, de dochter van eiser, werd betrokken. Omdat haar voordeel uit sparen en beleggen boven de heffingsvrije grens lag, werd de huurtoeslag definitief vastgesteld op nul en moest eiser het teveel ontvangen bedrag terugbetalen.
De rechtbank stelde vast dat de dochter terecht als medebewoner werd aangemerkt en dat het vermogen correct werd meegenomen. Verweerder hield rekening met een immateriële schadevergoeding van €17.500,- die buiten beschouwing werd gelaten op grond van de hardheidsclausule uit de Awir en de Uitvoeringsregeling Awir.
De rechtbank vond geen aanleiding om verder af te wijken van deze toepassing en oordeelde dat het resterende vermogen van de dochter voldoende was om de huurtoeslag te weigeren. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de huurtoeslag op nul is ongegrond verklaard.