Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
18 september 2019.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en verzocht het UWV om behoud van deze uitkering bij vestiging in Tsjechië om bij zijn zoon te kunnen zijn. Het UWV wees dit verzoek af vanwege het geldende exportverbod voor Wajong-uitkeringen, met uitzondering van situaties die onder de hardheidsclausule vallen. De rechtbank bevestigt dat het uitgangspunt is dat de Wajong-uitkering eindigt bij verblijf buiten Nederland, en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast.
Eiser stelde dat zijn psychische problematiek en het dreigende verlies van contact met zijn zoon zwaarwegende redenen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Ook voerde hij aan dat het weigeren van het verzoek in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd om te spreken van zwaarwegende redenen en dat financiële nadelen en persoonlijke wensen niet leiden tot toepassing van de hardheidsclausule. Daarnaast is het recht op familie- en gezinsleven niet geschonden omdat verhuizing een vrije keuze is met gevolgen voor de uitkering.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van het UWV. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot behoud van de Wajong-uitkering bij vestiging in Tsjechië wordt afgewezen.