Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Verloop van de procedure
2.Vaststaande feiten
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te Bonaire .
Rechtbank Midden-Nederland
De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige dochter te verkrijgen. De moeder voerde verweer en betwistte de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, stellende dat de gewone verblijfplaats van het kind op Bonaire was.
De rechtbank onderzocht de feitelijke omstandigheden rond de verblijfplaats van het kind op het moment van het verzoek. Ondanks feitelijk verblijf in Nederland, was het duidelijk dat de moeder en het kind spoedig definitief naar Bonaire zouden terugkeren, waar het kind nauwe banden heeft.
De rechtbank concludeerde dat de gewone verblijfplaats van het kind op Bonaire lag, waardoor Brussel II bis niet van toepassing was. Wel was het Haags Kinderbeschermingsverdrag van toepassing, dat rechtsmacht toekent aan de staat van gewone verblijfplaats van het kind. Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om over het verzoek te oordelen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot gezamenlijk gezag omdat de gewone verblijfplaats van het kind op Bonaire is.