Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Utrecht, verweerder
Procesverloop
- voor op 2 december (lees: februari) 2012 verrichte werkzaamheden, te weten een extra overleg, toegewezen;
- voor de overige gedeclareerde werkzaamheden afgewezen.
Overwegingen
Sinds 1 november 2010 verricht eiser ook medezeggenschapswerkzaamheden.
Eiser heeft betwist dat verweerder een vaste gedragslijn hanteert bij de roostering en dat het voor eiser verplichte werkrooster een dynamisch individueel werkrooster is. Dat rooster heeft volgens eiser geen juridische basis.
Verweerder neemt bij het opstellen van dit ploegenrooster andere algemene werkzaamheden en medezeggenschapswerkzaamheden niet daarin op. Deze andere algemene en medezeggenschapswerkzaamheden moeten achteraf door middel van een formulier worden gedeclareerd. Gelet op deze wijze van jaarlijkse roostering en declaraties achteraf, overschrijdt eiser de feitelijke arbeidsduur per week en is er dus sprake van overwerk waarvoor hij recht heeft op een financiële vergoeding. Weliswaar worden de uren die hij besteedt aan werkzaamheden die niet in het rond oktober vastgestelde ploegenrooster zijn opgenomen gecompenseerd in tijd, maar ten onrechte ontvangt hij hiervoor geen financiële vergoeding.
Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder een onjuiste uitleg en toepassing heeft gegeven aan de in artikel III.4.3, derde lid, van de UVRU neergelegde voorwaarde dat voor werkzaamheden een dienstopdracht is gegeven of moet worden geacht te zijn gegeven. Eiser heeft gesteld dat hij wel aan deze voorwaarde voldoet.
Ten slotte heeft eiser in verband met zijn medezeggenschapswerkzaamheden aangevoerd, dat hij wordt benadeeld in zijn positie in de organisatie van verweerder als bedoeld in artikel 21 van Pro de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) en artikel 15:1:31 van Pro de UWO.
Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank eisers stelling dat verweerder in de periode in geding niet de door hem gestelde vaste gedragslijn bij de roostering heeft gehanteerd.
voorafgaandaan de verplicht te verrichten werkzaamheden aan als deze werkzaamheden de paraatheid raken en het werkrooster “tijdig” kan worden aangepast. Alle werkzaamheden die de paraatheid raken moet een ambtenaar voorafgaand aan deze werkzaamheden bij het Bureau Paraatheid melden, opdat het Bureau Paraatheid door middel van inzet van een andere ambtenaar kan voorkomen dat de paraatheid in het gedrang komt.
nade verplicht te verrichten werkzaamheden aan als deze werkzaamheden de paraatheid niet raken en het werkrooster “tijdig” zou kunnen worden aangepast. Deze werkzaamheden moet een ambtenaar op een daarvoor bestemd formulier, het zogenaamde declaratieformulier, bijhouden.
Het werkrooster kan of had tijdig kunnen worden aangepast, als een ambtenaar buiten het tijdsbestek van 72 uur direct vóór aanvang van werkzaamheden met deze werkzaamheden wordt geconfronteerd.
nietvoorafgaand of na de verplicht te verrichten werkzaamheden aan als het werkrooster niet “tijdig” kan of had kunnen worden aangepast. Het gaat dus om werkzaamheden waarmee een ambtenaar wordt geconfronteerd binnen het tijdsbestek van 72 uur direct vóór aanvang van die werkzaamheden. Ook deze werkzaamheden moet een ambtenaar op het zogenaamde declaratieformulier bijhouden. Deze verplicht te verrichten werkzaamheden vallen dus buiten het werkrooster van een ambtenaar.
Het voorgaande leidt tevens tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt in verband met zijn medezeggenschapswerkzaamheden in zijn positie bij verweerder benadeeld te zijn. Daarom slaagt eisers beroep op artikel 21 van Pro de WOR en artikel 15:1:31 van Pro de UWO niet.
Beslissing
mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. S.S. Mazaheri, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2019.