Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaardingen van 2 juli 2018 ( [gedaagde 1] ) en van 2 januari 2019 ( [gedaagde 2] ), met producties,
- de conclusies van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 10 oktober 2018 in de zaak van [gedaagde 1] , waarin een comparitie is bevolen,
- in de zaak van [gedaagde 1] : de akte vermeerdering van eis van de gemeente,
- in de zaak van [gedaagde 1] : de brief van 30 januari 2019 van de gemeente, met productie 25,
- het vonnis in incident van 27 februari 2019 in de zaak van [gedaagde 2] , waarin is bepaald dat de zaak van [gedaagde 2] gevoegd wordt behandeld met de zaak van [gedaagde 1] ,
- de conclusies van antwoord in reconventie,
- in de zaak van [gedaagde 1] : de brief van 13 maart 2019 van de gemeente, met productie 26,
- de brief van 13 maart 2019 van [gedaagde 1] , met producties 7 tot en met 10,
- de mondelinge behandeling (van de gevoegde zaken gezamenlijk) op 18 maart 2019, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.De feiten in conventie en in reconventie
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie
300,00(1,5 punt x tarief € 200,00)
300,00(1,5 punt x tarief € 200,00)