ECLI:NL:RBMNE:2019:5916
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beslissing op wrakingsverzoek wegens vermeende rechterlijke vooringenomenheid in strafzaak
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de meervoudige strafkamer wegens vermeende onpartijdigheid. Hij stelde dat de rechters voornamelijk belastende stukken voorhielden, getuige en medeverdachte [A] bevoordeelden en geen proces-verbaal van meineed op lieten maken ondanks tegenstrijdige verklaringen van [A].
De rechters en officier van justitie ontkenden de beschuldigingen en lichtten toe dat de selectie van stukken en vragen gericht waren op waarheidsvinding en dat verzoeker voldoende gelegenheid kreeg zijn verhaal te doen. Het wijzen van getuige [A] op zijn verschoningsrecht vond plaats zodra dit noodzakelijk was. Het niet opmaken van een proces-verbaal van meineed werd gemotiveerd door het lopende verhoor en het ontbreken van voldoende aanwijzingen.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond. De selectie van stukken, het verhoor van getuige [A], en de procesbeslissingen van de rechtbank waren niet onbegrijpelijk of indicatief voor vooringenomenheid. Ook was er geen sprake van een vijandige sfeer tijdens de zitting. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en de strafprocedure werd voortgezet.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt ongegrond verklaard en de strafprocedure wordt voortgezet.