Op 14 september 2018 vond een vechtpartij plaats in Hilversum waarbij de minderjarige verdachte werd verdacht van zware mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging. De zaak werd behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, waarbij de zitting achter gesloten deuren plaatsvond vanwege de minderjarige status van de verdachte.
De officier van justitie kon niet bewijzen dat de verdachte met opzet zwaar lichamelijk letsel had toegebracht en verzocht vrijspraak van de primaire verdenking. Wel werd gesteld dat openlijke geweldpleging bewezen kon worden. De verdediging betoogde dat de verdachte geen geweld gebruikte maar juist probeerde te bemiddelen en dat getuigenverklaringen onbetrouwbaar waren.
Na bestudering van camerabeelden en getuigenverklaringen oordeelde de rechtbank dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk geweld had gebruikt. De verdachte werd vrijgesproken van zowel de primaire als subsidiaire verdenking. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard, met de mogelijkheid deze civielrechtelijk voort te zetten.