Op 14 maart 2017 werd een poging tot inbraak gepleegd bij een tankstation in Utrecht waarbij een auto als vluchtauto werd gebruikt. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van deze poging, het voorhanden hebben van een vuurwapen en heling van een auto die mogelijk van diefstal afkomstig was.
De officier van justitie baseerde haar vordering op DNA-sporen van verdachte die in de vluchtauto en op een vuurwapen waren aangetroffen. De verdediging betwistte de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak en stelde dat het DNA-onderzoek onvoldoende bewijs leverde, mede vanwege een mengprofiel en mogelijke contaminatie.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte betrokken was bij de poging tot inbraak of het vuurwapen voorhanden had. Ook was niet bewezen dat verdachte wist dat de auto van diefstal afkomstig was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf werd afgewezen.