De werknemer is sinds 1 januari 1999 in dienst van de werkgever. De werkgever verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding zoals bedoeld in artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub g BW. Er is een verschil van inzicht over de uitvoering van taken, en ondanks inspanningen is dit niet opgelost. Herplaatsing in een andere passende functie is niet mogelijk gebleken.
De werknemer betwist de feiten niet en benadrukt dat hij zich naar behoren heeft ingezet en dat hem geen verwijt treft. De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat van de werkgever niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten, zonder dat een van partijen verwijt treft. Ook geldt geen opzegverbod.
De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding toe en bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2019, conform de opzegtermijn. Tevens wordt een beëindigingsvergoeding van €30.000 bruto toegekend, waarin de wettelijke transitievergoeding is inbegrepen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.