Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2 TENLASTELEGGING
3 VOORVRAGEN
4 WAARDERING VAN HET BEWIJS
5 BEWEZENVERKLARING
1.
op 11 augustus 2018 te Nieuwegein, met zijn minderjarige stiefkleindochter [slachtoffer 1] , geboren op [2004] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
terwijl die [slachtoffer 1] aan de zorg en waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd;
3.
6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8 OPLEGGING VAN STRAF
gevangenisstrafvan
6 maanden;
geheel nietzal worden
ten uitvoer gelegd, tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
een proeftijd van 3 jarenvast;
taakstrafvoor de duur van
240 uren;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 327,50 (zegge: driehonderdzevenentwintig euro en vijftig eurocent);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 (voor de immateriële schadevergoeding) en 1 augustus 2019 (voor de materiële schadevergoeding) tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 530,88 (zegge: vijfhonderddertig euro en achtentachtig eurocent);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2017 (voor de immateriële schadevergoeding) en 1 augustus 2019 (voor de materiële schadevergoeding) tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat
- wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 2.230,88 (zegge: tweeduizendtweehonderddertig euro en achtentachtig eurocent);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2013 (voor de immateriële schadevergoeding) en 1 augustus 2019 (voor de materiële schadevergoeding) tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat