Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
- verdachte heeft met een door hem bestuurde personenauto een rood verkeerslicht genegeerd en is kort hierna in botsing gekomen met een overstekende fietsster;
- verdachte reed met een veel te hoge snelheid, namelijk in ieder geval meer dan 28 km/h te hard op een plaats waar 50 km/h was toegestaan;
- ten tijde van het ongeval was het donker en verdachte had door een andere auto, die rechts voor verdachte en op korte afstand van de verkeerslichten reed dan wel stond (getuige [getuige 2] ), geen vrij zicht op de gehele kruising.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
primair bewezen verklaardelevert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
10.BESLISSING
taakstrafvan
160 uren;
ontzegtverdachte ter zake van het onder primair bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 maanden.