Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
de griffier is verhinderd
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na meldingen van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2014, 2017 en 2018, stelde verweerder de arbeidsongeschiktheid per 20 maart 2015 vast op 80-100% en verhoogde de WAO-uitkering met terugwerkende kracht vanaf die datum. Tevens werd een te veel ontvangen toeslag over de periode van 20 maart 2015 tot 23 januari 2016 teruggevorderd en verrekend met de nabetaling.
Eiser betwist de ingangsdatum van de verhoging en stelt dat de toeslag niet met terugwerkende kracht mag worden teruggevorderd, noch mag worden verrekend met de WAO-uitkering. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke wachttijd van 104 weken voor herziening van de WAO-uitkering geldt, waardoor de ingangsdatum van 20 maart 2015 juist is vastgesteld. De terugvordering van de toeslag is gegrond op de Toeslagenwet en de Beleidsregels, waarbij het niet vereist is dat eiser redelijkerwijs op de hoogte was van de te hoge toeslag.
Verder is de verrekening van de toeslag met de WAO-uitkering toegestaan op grond van artikel 20a, tweede lid, in combinatie met artikel 14g van de Toeslagenwet, en de bruto verrekening is passend omdat het recht op uitkering bruto wordt vastgesteld. Het beroep tegen de gewijzigde besluiten is ongegrond, maar eiser krijgt proceskostenvergoeding wegens wijziging van de eerdere besluiten tijdens de procedure.
Uitkomst: De verhoging van de WAO-uitkering is terecht vastgesteld na 104 weken wachttijd, de terugvordering van de toeslag met terugwerkende kracht is gegrond, en de bruto verrekening met de nabetaling is rechtmatig.