Uitspraak
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2020 in de zaak tussen
[eiser 1], te [woonplaats] , eiser 1,
[eiser 2], te [woonplaats] , eiser 2,
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers, eigenaren van percelen grenzend aan een primaire watergang, betwisten de onderhoudsverplichtingen die het waterschap in de Legger 2018 aan hen oplegt. Volgens eisers zijn deze verplichtingen in strijd met afspraken uit een ruilverkaveling uit 2002, waarbij het onderhoud aan het waterschap is toegewezen.
De rechtbank beoordeelt eerst de vertegenwoordiging van verweerder en concludeert dat het dagelijks bestuur niet bevoegd is om namens het algemeen bestuur verweer te voeren, maar ziet geen consequenties in dit geval.
De rechtbank stelt vast dat het waterschap bij het vaststellen van de Legger 2018 onvoldoende de persoonlijke belangen van eisers heeft betrokken en geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt, waardoor het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is.
De rechtbank beveelt het waterschap aan het gebrek binnen tien weken te herstellen met een aanvullende belangenafweging of een gewijzigd besluit, waarbij de wettelijke procedure niet opnieuw hoeft te worden doorlopen. Tot de einduitspraak wordt verdere beslissing aangehouden en handhaving opgeschort.
Uitkomst: De rechtbank beveelt het waterschap binnen tien weken het gebrek in de belangenafweging te herstellen en houdt verdere beslissing aan.