Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Procesverloop
d.d. 8 maart 2020;
Rechtbank Midden-Nederland
Betrokkene stelde beroep in tegen de crisismaatregel die de burgemeester van Lelystad op 8 maart 2020 tegen hem had opgelegd op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene voerde aan dat het verslag van het horen ontoereikend was en dat onvoldoende was gemotiveerd waarom hij niet gehoord kon worden.
De burgemeester verdedigde het besluit door te stellen dat er onder tijdsdruk gehandeld moest worden vanwege het ernstig onmiddellijk dreigend nadeel en dat er circa veertig minuten telefonisch contact was geprobeerd om betrokkene te horen, maar zonder succes. De burgemeester stelde dat er geen onvoorwaardelijke hoorplicht bestaat bij crisismaatregelen en dat de motivering in het besluit, hoewel summier, voldeed.
De rechtbank oordeelde dat uit het besluit en het hoorverslag voldoende blijkt dat meerdere pogingen zijn gedaan om betrokkene te horen, maar dat dit niet is gelukt. Er was geen aanwijzing dat betrokkene daadwerkelijk gehoord wilde worden of dat het horen het besluit zou beïnvloeden. De motivering was derhalve toereikend en het beroep werd ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat bij crisismaatregelen onder tijdsdruk een summiere motivering volstaat indien blijkt dat redelijke pogingen zijn gedaan om de betrokkene te horen en dat het niet horen niet leidt tot onrechtmatigheid van het besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisismaatregel is ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.