Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
het ten laste gelegde bewezenzoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
het bewezen verklaarde strafbaaren kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
verdachte strafbaar;
- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toetot een bedrag van € 9.666,09, waarvan een bedrag van € 2.166,09 aan materiële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 1.858,86 aan materiële schade vanaf 23 januari 2020 tot de dag van volledige betaling en een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 juli 2017 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen € 9.666,09, waarvan een bedrag van € 2.166,09 aan materiële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 1.858,86 aan materiële schade vanaf 23 januari 2020 tot de dag van volledige betaling en een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 juli 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.